ECLI:NL:PHR:2001:AD4466

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03391/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 AWRArt. 358 SvArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor opzettelijke onjuiste belastingaangifte

Verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden wegens belastingontduiking. De verdediging stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte niet had gereageerd op het verweer dat verdachte niet op 11 januari 1994, maar eerder op 11 maart 1992 aangifte had gedaan, en dat het overhandigen van een kopie van de aangifte niet als een wettelijke aangifte kon worden beschouwd.

De Procureur-Generaal concludeerde dat het Hof terecht had geoordeeld dat het overhandigen van een kopie van de aangifte aan de inspecteur wel degelijk als aangifte in de zin van de Belastingwet moest worden gezien, mede op basis van een getuigenverklaring van een belastinginspecteur en jurisprudentie van de Hoge Raad.

Daarnaast stelde de verdediging dat verdachte een andere fiscale mening had over de belastingplicht, waardoor er geen opzet was. Het Hof verwierp dit verweer omdat verdachte geen toelichting had gegeven bij de aangifte en de bewijsmiddelen wezen op opzettelijk onjuiste aangifte.

De Hoge Raad concludeerde dat het Hof voldoende gemotiveerd had geoordeeld en dat het cassatiemiddel faalde. Er was geen reden tot vernietiging, zodat het beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor opzettelijke onjuiste belastingaangifte met een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden.

Conclusie

Mr. Fokkens
Nr. 03391/00
Zitting 11 september 2001
Conclusie inzake
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens -kort gezegd- belastingontduiking veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verdachte heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het door de verdediging gevoerde verweer dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 11 januari 1994 in Roermond opzettelijk onjuist aangifte heeft gedaan. Door de verdediging is aangevoerd dat moet worden aangenomen dat verdachte de bedoelde aangifte op of omstreeks 11 maart 1992 heeft gedaan door deze te zenden naar de Belastingdienst Maastricht en dat het op 11 januari 1994 afgeven van een kopie van het aangiftebiljet aan de Inspecteur te Roermond niet kan worden beschouwd als het doen van een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in artikel 68 (oud) van de AWR. Op dit Dakdekkersverweer had volgens de steller van het middel expliciet gemotiveerd gerespondeerd moeten worden.
4. Ik meen dat die klacht niet kan slagen. Het Hof heeft in bewijsmiddel 5 opgenomen de verklaring van [getuige], belastinginspecteur te Roermand, inhoudende:
"Ik was als inspecteur belast met de belastingaangifte 1991 van [verdachte]. Op 14 januari 1994 is mij een kopie van de belastingaangifte 1991 overhandigd. Overhandiging van die kopie wordt ook aangemerkt als het doen van aangifte"
5. Mede gelet op de deskundigheid van deze getuige heeft het Hof kunnen oordelen dat daarmee de stelling van de raadsman dat het inleveren van deze kopie niet als het doen van een bij de Belastingwet voorziene aangifte kon worden beschouwd, weerlegd was. Daarbij is van belang dat uit HR NJ 1988, 328 blijkt dat aan het begrip aangifte een materiële betekenis moet worden toegekend: een niet ondertekende aangifte kan een aangifte opleveren in de zin van art. 68 AWR Pro.
6. Het tweede middel behelst de klacht dat uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan. In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat verdachte een andere mening was toegedaan omtrent de belastingplicht ten aanzien van die posten.
7. Het Hof heeft het ter zitting aangevoerde opgevat als een beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en het verweer dat verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld maar andere fiscaal bepleitbare stellingen heeft ingenomen verworpen. Daartoe heeft het Hof overwogen:
"Het hof verstaat dit verweer als een beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en verwerpt het aanstonds, aangezien niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zijn standpunten als bedoeld bij de Belastingdienst is gaan bepleiten, waar hij immers integendeel de onderhavige belastingaangifte heeft gedaan zonder zelfs maar toelichting te geven bij de punten in kwestie."
8. Hiermee heeft het Hof vastgesteld geen geloof te hechten aan de lezing van verdachte dat hij de betreffende posten niet heeft vermeld omdat hij op grond van pleitbare fiscale stellingen meende dat dit niet hoefde. Ook al zou het verweer niet als een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar als een verweer ten aanzien van het verweten opzettelijk onjuiste aangifte doen moeten worden beschouwd - en met de steller van het middel meen ik dat het verweer gezien zijn inhoud en de structuur van de pleitnota niet anders kan worden opgevat - dan nog is dit hiermee op toereikende gronden verworpen. Nu overigens ten aanzien van het opzettelijk niet vermelden van genoemde posten geen verweer is gevoerd, heeft het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat deze opzettelijk niet zijn vermeld en dat derhalve opzettelijk een onjuiste aangifte is gedaan. Het middel faalt.
Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep zal worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,