ECLI:NL:PHR:2001:AD4463
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over overdracht van strafvervolging en hoorrecht verdachte bij verdragloze overdracht
In deze zaak staat de vraag centraal of bij de overdracht van strafvervolging van België naar Nederland, in de zogenaamde "Letse zaak", de verdachte gehoord had moeten worden en of het ontbreken daarvan de procesorde schaadt of leidt tot ongelijke behandeling. De zaak betreft strafbare feiten met betrekking tot het medeplegen van invoer en vervoer van verdovende middelen.
De procureur-generaal stelde dat België geen strafvervolging had ingesteld en dat er dus geen overdracht van strafvervolging was volgens de regels. De verdediging betoogde dat er wel degelijk een gerechtelijk vooronderzoek in België had plaatsgevonden en dat de overdracht volgens de wettelijke voorschriften had moeten verlopen, inclusief het horen van de verdachte. Het hof oordeelde dat er wel sprake was van een overdracht, maar dat niet volgens de formele regels was gehandeld. Dit werd echter niet als rechtsgevolg gezien vanwege een brief van de Minister van Justitie waarin werd aangegeven dat bij een formeel verzoek tot overname de Minister daarmee zou hebben ingestemd.
De Hoge Raad bevestigt dat de wettelijke verplichting om de verdachte te horen alleen geldt indien de overdracht op een verdrag is gegrond. Omdat in deze zaak geen verdragelijke grondslag bestond, was het niet noodzakelijk de verdachte te horen. Ook is geoordeeld dat dit onderscheid geen onrechtmatige discriminatie oplevert in strijd met artikel 26 IVBPR Pro. Het is aan de wetgever om de wettelijke regeling te verruimen indien gewenst. Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitspraak van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de verdachte hoefde bij verdragloze overdracht niet gehoord te worden.