ECLI:NL:PHR:2001:AD4307

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00156/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 SvArt. 63 SvArt. 67b SvArt. 359a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van tweede vordering tot inbewaringstelling en niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie

In deze zaak heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat de officier van justitie voor de tweede maal een vordering tot inbewaringstelling heeft gedaan, terwijl de eerste vordering was afgewezen en het dossier niet wezenlijk was gewijzigd. Het hof heeft overwogen dat het doen van een tweede vordering tot inbewaringstelling niet verboden is, zeker wanneer er aanvullend bewijs is verzameld.

Het hof oordeelde dat de tweede vordering tot inbewaringstelling niet ter toetsing aan het hof staat, tenzij sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het enkele feit van een tweede vordering leidt niet tot schending van deze beginselen. De handelwijze van het openbaar ministerie was niet zodanig dat er ernstige inbreuken zijn gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatiemiddel af. Tevens wordt opgemerkt dat artikel 67b Sv niet in de weg staat aan een tweede vordering tot bewaring. De conclusie is dat het beroep niet-ontvankelijkheid faalt en dat er geen reden is voor ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat het openbaar ministerie ontvankelijk bleef ondanks de tweede vordering tot inbewaringstelling.

Conclusie

Nr. 00156/00
Mr Jörg
Zitting: 2 oktober 2001
(bij vervroeging)
Conclusie inzake
[verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 4 november 1999 door het gerechtshof te Leeuwarden wegens "zware mishandeling", veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden.
2. Namens verzoeker heeft mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt over de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
4. Het hof heeft met betrekking tot het in het middel bedoelde verweer het volgende in de bestreden uitspraak overwogen:
"De raadsman van verdachte heeft gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe heeft hij aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de officier van justitie in strijd met artikel 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering voor de tweede maal de inbewaringstelling van verdachte heeft gevorderd, waarop deze vordering is toegewezen, terwijl de eerste vordering tot inbewaringstelling door de rechter-commissaris was afgewezen en het dossier nadien niet inhoudelijk veranderd was.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende. In beginsel is de vordering tot inbewaringstelling door de officier van justitie en de daarop genomen beslissing door de rechter-commissaris niet ter toetsing aan het hof. Dat is slechts anders indien op zodanige wijze gehandeld is in strijd met de belangen van de verdachte dat sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat de officier van justitie voor de tweede maal een vordering tot inbewaringstelling van verdachte heeft gedaan - die ook daadwerkelijk tot een inbewaringstelling heeft geleid -, niet met zich brengt dat beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden. Doch in ieder geval is de handelwijze van de officier van justitie niet van zodanige aard dat er ernstige inbreuken zijn gemaakt op de beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, zodat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou dienen te worden verklaard. Mitsdien verwerpt het hof het verweer."
5. Terecht heeft het hof geoordeeld dat de vordering tot inbewaringstelling door de officier van justitie niet door het hof kan worden getoetst. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de officier van justitie door het voor een tweede maal vorderen van de bewaring van verzoeker op basis van een zelfde feitencomplex, niet heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
6. De stelling in de toelichting op het middel dat de toewijzing van de tweede vordering tot bewaring in strijd zou zijn met de wet ontgaat mij. Niets staat er immers aan in de weg om een tweede vordering tot bewaring te doen. Uit de stukken van het vooronderzoek kan in dit verband worden afgeleid dat tussen de eerste vordering tot bewaring op 15 december 1997 en de tweede vordering op 18 december 1997 aanvullende en nieuwe getuigenverklaringen zijn opgenomen. Dat de eerste vordering tot bewaring wegens onvoldoende ernstige bezwaren jegens verzoeker werd afgewezen en de tweede vordering tot bewaring wel werd toegewezen, is - gezien het kennelijk in de tussentijd (extra) verzamelde bewijsmateriaal - niet verrassend.
Iets (geheel) anders is de vraag of op een verdachte tweemaal hetzelfde dwangmiddel mag worden toegepast. Zie hierover Corstens, handboek, 1999, p. 346-347.
7. Overigens wordt in het middel uitgegaan van een onjuist begrip van art. 67b Sv. Dit artikel is van toepassing in de situatie waarin de verdachte zich reeds in bewaring bevindt. Indien tijdens de tenuitvoerlegging van de bewaring de officier van justitie voor een ander of een samenhangend feit overgaat tot vervolging of verdere vervolging, kan hij op grond van art. 67b Sv bij de vordering tot gevangenhouding of de verlenging daarvan vorderen dat de voorlopige hechtenis tot dat feit wordt uitgebreid of beperkt. Gezien de strekking van art. 67b Sv is niet in te zien hoe dit artikel in weg zou kunnen staan aan het voor de tweede maal vorderen van bewaring.
8. Gezien het bovenstaande is 's hofs oordeel dat geen sprake is geweest van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan (vgl. HR 19 december 1995, NJ 1996, 249), niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve in alle onderdelen.
9. Het middel faalt en leent zich voor toepassing van art. 101a RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik thans nog niet aangetroffen. Mocht Uw Raad niet binnen een periode van 2 jaar na het instellen van beroep in cassatie arrest wijzen, dan bestaat er aanleiding tot enige strafreductie.
10. Deze conclusie strekt vooralsnog tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG