ECLI:NL:PHR:2001:AD4007
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het griffierecht bij vordering tot betaling in echtscheidingszaak
In deze zaak stond de vraag centraal welk griffierecht van toepassing is op een cassatieprocedure waarin een vrouw haar voormalige echtgenoot vordert tot betaling van een bedrag van ƒ 995.200,--, voortvloeiend uit een verrekenbeding na echtscheiding.
De vrouw was in eerste aanleg succesvol en het hof bevestigde dit oordeel. De griffier stelde aanvankelijk het griffierecht voorlopig vast op ƒ 475,--, maar na ontvangst van het volledige dossier werd dit definitief verhoogd tot ƒ 1.795,-- vanwege het hoge financiële belang.
Mr. Thöle kwam hiertegen in verzet en stelde dat het lage tarief van toepassing moest zijn, omdat de zaak betrekking zou hebben op het personen- en familierecht (Boek 1 BW). De Hoge Raad oordeelde dat het tarief moet worden bepaald aan de hand van het financiële belang van de vordering, conform art. 2 lid 3 onder Pro d WTBZ, en dat het lage tarief alleen geldt voor zaken die uitsluitend betrekking hebben op personen- en familierecht zonder een geldsom.
De Hoge Raad benadrukte dat de griffier niet verplicht is om diepgaand te onderzoeken of een vordering verband houdt met een echtscheiding, maar dat het formele karakter van de vordering bepalend is. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en het hogere griffierecht bevestigd.
Uitkomst: Het verzet tegen de vaststelling van het hogere griffierecht wordt ongegrond verklaard en het griffierecht definitief vastgesteld op ƒ 1.795,--.