ECLI:NL:PHR:2001:AD4000
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van omgangsregeling en aanwijzingsbevoegdheid gezinsvoogd bij ondertoezichtstelling
Deze zaak betreft een geschil over de omgangsregeling tussen een vader en zijn drie kinderen die onder toezicht zijn gesteld. De moeder heeft het gezag en de kinderen zijn onder toezicht geplaatst met een gezinsvoogd die de hulpverlening coördineert. De stichting Jeugd en Gezin Flevoland vroeg de rechtbank om de omgangsregeling te wijzigen en uiteindelijk stop te zetten vanwege het moeizame verloop en de weigering van de vader mee te werken aan video-opnamen die onderdeel waren van het hulpverleningsplan.
De rechtbank en het hof bevestigden de stopzetting van de omgangsregeling omdat deze niet in het belang van de kinderen was. De vader betwistte onder meer dat de stichting hem een aanwijzing had kunnen geven op grond van artikel 1:258 BW Pro, omdat hij niet met gezag was belast. De Hoge Raad oordeelde dat aanwijzingen alleen kunnen worden gericht aan de met gezag belaste ouder of het kind zelf, en dat de stichting geen aanwijzing aan de vader heeft gegeven. Tevens werd bevestigd dat de omgangsregeling terecht werd stopgezet vanwege de gedragsproblemen van de kinderen en de weigering van de vader om hulp te accepteren.
De Hoge Raad ging ook in op de vraag of een opdracht tot medewerking aan video-opnamen als een aanwijzing kan worden beschouwd. Hoewel het maken van video-opnamen nuttig kan zijn, is een dergelijke aanwijzing die de persoonlijke levenssfeer van de ouder raakt niet zonder uitdrukkelijke wettelijke basis toegestaan. De cassatiemiddelen werden ongegrond verklaard en het beroep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de stopzetting van de omgangsregeling in het belang van de kinderen.