ECLI:NL:PHR:2001:AD3962
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over aansprakelijkheid voor bodemverontreiniging door olietank
In deze zaak vorderden [eiser] c.s. vergoeding van kosten voor sanering van vervuilde grond veroorzaakt door een olietank in de tuin van de buren, [verweerder] c.s. De rechtbank kende de vordering toe, stellende dat [verweerder] c.s. aansprakelijkheid hadden erkend. Het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af, omdat geen onvoorwaardelijke erkenning van aansprakelijkheid bestond en het niet vaststond wanneer de verontreiniging was ontstaan.
Het hof oordeelde dat de verontreiniging mogelijk al vóór het staken van het gebruik van de tank had plaatsgevonden en dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat de schade na dat tijdstip was ontstaan. Ook werd geoordeeld dat de enkele eigendom van het perceel onvoldoende was om aansprakelijkheid vast te stellen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van [eiser] c.s. en bevestigde dat het hof terecht de verklaring van [verweerder] niet als onvoorwaardelijke aansprakelijkheidsverklaring heeft uitgelegd. Tevens was het hof niet verplicht het bewijsaanbod van eiser te honoreren of ambtshalve bewijs op te dragen. Ten slotte bevestigde de Hoge Raad dat het hof terecht oud recht toepaste op grond van de overgangswet, omdat de schade en gebeurtenis vóór 1992 waren ontstaan.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat verweerder niet aansprakelijk is voor de bodemverontreiniging.