ECLI:NL:PHR:2001:AD2657

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/007HR
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 131 ProvinciewetArt. 18.8 Wet milieubeheerArt. 407 lid 2 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid provincie tot vervroegde verkoop autowrakken onder bestuursdwang

In deze zaak vordert de provincie Utrecht de kosten te verhalen van bestuursdwang die zij heeft uitgeoefend door 1130 autowrakken te verwijderen van het terrein van eiser. De rechtbank en het hof hebben de vordering van de provincie toegewezen. Het geschil in cassatie betreft de vraag of de provincie bevoegd was om de autowrakken binnen twee weken te verkopen, terwijl artikel 131 lid 1 van Pro de oude Provinciewet een termijn van drie maanden voorschrijft.

Het hof oordeelde dat de provincie redelijkerwijs kon aannemen dat de opslagkosten van de wrakken hoog waren en dat de wrakken milieugevaarlijke stoffen bevatten zoals motorolie, accuzuur en asbest remvoeringen, waardoor een milieuhygiënisch verantwoorde opslag niet mogelijk was. Hierdoor was de termijn van drie maanden niet van toepassing en kon de provincie de wrakken vervroegd verkopen.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep van eiser af. De Hoge Raad benadrukt dat de provincie op grond van artikel 131 lid 1 van Pro de oude Provinciewet en artikel 18.8 van de Wet milieubeheer bevoegd was tot onverwijlde verkoop van gevaarlijke stoffen. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij schade heeft geleden door het niet in acht nemen van de termijn.

De conclusie van de advocaat-generaal is dat het beroep moet worden verworpen. Het artikel 131 van Pro de Provinciewet is later vervallen verklaard, maar dat doet niet af aan de beoordeling van het onderhavige geschil.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de provincie bevoegd was om de autowrakken binnen twee weken te verkopen en wijst het cassatieberoep af.

Conclusie

Rolnr. C00/007
Zitting 29 juni 2001
Conclusie mr J. Spier inzake
1. [Eiseres 1]
2. [Eiser 2]
3. [Eiser 3]
(hierna gezamenlijk: [eiser])
tegen
De provincie Utrecht
(hierna: de Provincie)
Edelhoogachtbaar College,
1. Inzet van de procedure
1.1 In deze procedure tracht de Provincie de kosten van jegens [eiser] uitgeoefende bestuursdwang (de verwijdering van 1130 autowrakken) op [eiser] te verhalen. Die vordering is door de Rechtbank in essentie toegewezen. Het Hof heeft haar vonnis bekrachtigd.
1.2.1 In cassatie is nog slechts van belang of de Provincie bevoegd was om de autowrakken binnen twee weken te verkopen, hoewel art. 131 lid Pro 1 (oud) Provinciewet(1) - kort gezegd - bepaalt dat ten minste een termijn van drie maanden in acht moet worden genomen. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het het Hof het volgende overwogen.
1.2.2 Het Hof verwijlt bij de stellingen van de Provincie dat sprake was van waardeloze autowrakken die gedeeltelijk niet van afvalstoffen waren ontdaan. De opslagkosten zouden - kort gezegd - ƒ 150 per wrak per maand belopen (rov. 4.3.14).
1.2.3 [Eiser] heeft, volgens het Hof, niet (voldoende gemotiveerd) bestreden dat de kosten van opslag fors zouden zijn opgelopen en dat de wrakken en losse onderdelen niet op milieuhyginisch verantwoorde wijze konden worden opgeslagen. De autowrakken konden, wegens het ontbreken van een vergunning, ook niet op afzienbare termijn terugkeren naar het bedrijfsterrein van [eiser]. Onder deze omstandigheden kon de Provincie redelijkerwijs oordelen dat de kosten in verhouding tot de waarde van de zaken onevenredig hoog zouden worden. Daarom behoefde de Provincie de termijn van drie maanden niet af te wachten (rov. 4.3.15).
1.2.4 Ook de in artikel 131 lid Pro 1 (oud) Provinciewet genoemde termijn van twee weken behoefde de Provincie niet in acht te nemen. Het Hof motiveert zijn oordeel als volgt:
"De wrakken en onderdelen bevatten deels, naar de provincie - niet of niet voldoende gemotiveerd door [eiser] bestreden - heeft gesteld, afvalstoffen als motorolie, accuzuur, asbest remvoeringen e.d., waarvoor een uit milieuhygiënisch oogpunt verantwoorde opslag niet kon plaatsvinden. Mede gelet op de aard van de overtreding van de Wet milieubeheer, die tot de uitgeoefende bestuursdwang noopte, en de (aanvullende) bevoegdheid tot uitoefening van bestuursdwang van artikel 18.8 Wet milieubeheer, die in een geval als het onderhavige ook kan omvatten het onverwijld verkopen, om niet in eigendom overdragen of vernietigen van zaken, heeft de Provincie in redelijkheid kunnen oordelen dat zaken die deze afvalstoffen bevatten, dienden te worden aangemerkt als 'gevaarlijke stoffen' als bedoeld in artikel 131 Provinciewet Pro, waarvoor de bedoelde termijn niet gold" (rov. 4.3.16).
1.2.5 In rov. 4.3.17 heeft het Hof ten slotte overwogen dat "voor het overige en bovendien" geldt dat [eiser] niet voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat hij schade heeft geleden doordat de Provincie de termijn niet in acht heeft genomen.
1.3 [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De Provincie heeft het beroep tegengesproken.
2. Bespreking van het middel
2.1 De klachten zijn in "Middel I" (een ander middel trof ik niet aan) verwoord onder 1.8 - 1.10. Onderdeel 1.8 voert aan dat artikel 131 (oud) Provinciewet niet toelaat dat de zaken die zijn onderworpen aan bestuursdwang "worden verkocht zonder dat daarbij de termijnen ex artikel 131 Prov Pro.w. in acht genomen hoeven te worden." Uit onderdeel 1.9 vloeit voort dat [eiser] hierbij het oog heeft op de termijn van drie maanden.
2.2 De klacht faalt. Reeds uit de tekst van artikel 131 lid Pro 1 (oud) Provinciewet blijkt dat de termijn van drie maanden niet in acht behoeft te worden genomen wanneer de kosten anders onevenredig hoog zouden worden. Zoals hiervoor onder 1.2.2 en 1.2.3 aangegeven doet die situatie zich in casu, volgens het Hof, voor. Het middel bestrijdt dat laatste niet.
2.3 Onderdeel 1.9 in samenhang met onderdeel 1.10 kant zich tegen de hierboven onder 1.2.5 weergegeven overweging. Nog daargelaten dat de klacht niet voldoet aan de eisen van artikel 407 lid 2 Rv Pro. (onduidelijk blijft waarom het bestreden oordeel onjuist zou zijn) strandt zij omdat het hier gaat om een obiter dictum.
2.4 Het hiervoor onder 1.2.4 weergegeven oordeel - dat in cassatie niet (op een wijze die voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.) wordt bestreden - kan 's Hofs oordeel zelfstandig dragen. Immers heeft het Hof geoordeeld dat de onderhavige autowrakken gevaarlijke stoffen (zoals accuzuur en asbest remvoeringen) bevatten. Daarvan uitgaande kon het Hof geredelijk oordelen dat het bepaalde in artikel 131 lid 1 derde Pro volzin (oud) Provinciewet hier van toepassing is.
2.5 Mogelijk behelst de s.t. van mr Martens op blz. 6 nog een additionele klacht. Daarop behoeft niet te worden ingegaan omdat deze in het middel niet is terug te vinden.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Het artikel is vervallen verklaard bij de wet van 6 november 1997, Stb. 510, inwerkingtreding 1 januari 1998.