ECLI:NL:PHR:2001:AB3296
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over douanecontrole en bewijs in cocaïne-invoeringszaak
In deze zaak werd verdachte veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk invoeren van ongeveer 74,87 kilogram cocaïne in een zeecontainer die in Rotterdam werd gecontroleerd. De verdediging voerde aan dat de controle onrechtmatig was omdat de douaneambtenaren geen bevoegdheid hadden tot onderzoek gericht op de Opiumwet en dat het bewijs onvoldoende betrouwbaar was vanwege gebrekkige documentatie van de monsters.
De Hoge Raad oordeelde dat de douaneambtenaren bevoegd waren de container te controleren vanuit douanerechtelijk oogpunt, ook al was het hoofddoel het opsporen van cocaïne. De controlebevoegdheid is niet exclusief beperkt tot het toezicht op invoerrechten, zodat ook opsporing van strafbare feiten binnen de Opiumwet mogelijk is. Het verweer dat er geen redelijk vermoeden van schuld was, werd gegrond verklaard, maar dit leidde niet tot cassatie omdat de bevoegdheid op andere gronden wel bestond.
Verder werd het bewijs van cocaïne-inhoud in de container aanvaard ondanks kritiek op de keten van bewaring van de monsters. De Hoge Raad stelde dat de Nederlandse rechtspraktijk minder strenge eisen stelt dan bijvoorbeeld de Amerikaanse, en dat het Hof terecht aannam dat de onderzochte monsters overeenkwamen met de in beslag genomen pakketten. Ten slotte bevestigde de Hoge Raad dat de verdachte voorwaardelijke opzet had op de invoer van de genoemde hoeveelheid cocaïne, gelet op de omstandigheden en verklaringen.
De cassatie werd verworpen en de veroordeling bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte tot vijf jaar gevangenisstraf voor medeplegen van invoer van cocaïne.