ECLI:NL:PHR:2001:AB3295
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid officier van justitie tot landelijke vervolging bevestigd
Verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van verboden handelen en deelname aan een criminele organisatie. Namens verdachte werd cassatie ingesteld met het middel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden omdat de officier van justitie niet bevoegd zou zijn geweest in het arrondissement Maastricht te vervolgen.
De Hoge Raad overwoog dat op grond van art. 4, vijfde lid, van de Wet op de samenstelling van de burgerlijke gerechten, later overgebracht naar art. 136, vijfde lid, RO, officieren van justitie van rechtswege plaatsvervangend officier van justitie zijn bij andere arrondissementsparketten en het landelijk parket. Dit impliceert een landelijke vervolgingsbevoegdheid.
De Hoge Raad verwierp het middel en bevestigde dat art. 9 Sv Pro (oud) de bevoegdheid van de officier van justitie niet beperkt tot het eigen arrondissement, omdat het plaatsvervangerschap van rechtswege een landelijke bevoegdheid creëert. Ook literatuur en eerdere jurisprudentie ondersteunen deze uitleg.
Het middel faalt en het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de veroordeling van verdachte in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de landelijke vervolgingsbevoegdheid van de officier van justitie wordt bevestigd.