ECLI:NL:PHR:2001:AB3102

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/010HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 807a Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 1:263a lid 2 Burgerlijk WetboekArt. 340 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 429n lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van cassatieberoep tegen aanwijzing onder toezichtstelling minderjarige kinderen

De zaak betreft een verzoek van de vader en zijn echtgenote om een gegeven aanwijzing door Jeugdbescherming Zeeland, die de ondertoezichtstelling van hun minderjarige kinderen betreft, geheel of gedeeltelijk te laten vervallen. Dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen omdat de aanwijzing passend werd geacht in het belang van de ontwikkeling van de kinderen.

De vader stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze beschikking. De kern van het geschil in cassatie was de ontvankelijkheid van dit beroep, waarbij Jeugdbescherming Zeeland primair stelde dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat er nog een gewoon rechtsmiddel openstond.

De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 807 onder Pro a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verbinding met artikel 1:263a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek hoger beroep openstond tot 16 januari 2001. Het cassatieberoep was echter tijdig ingesteld op 16 januari 2001, ondanks een administratieve vergissing met het datumstempel. Daarom was de vader ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

De conclusie van de Procureur-Generaal was dat de vader niet-ontvankelijk moest worden verklaard in zijn cassatieberoep, omdat het beroep tegen een beschikking waartegen nog een gewoon rechtsmiddel openstaat in principe niet mogelijk is. De zaak bevatte ook een bespreking van de procedurele aspecten en de toepasselijkheid van wettelijke bepalingen omtrent hoger beroep en cassatie.

Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep tegen de afwijzing van het verzoek tot vervallen verklaring van de aanwijzing onder toezichtstelling.

Conclusie

Rek.nr. R01/010
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 29 juni 2001
Conclusie inzake:
[De vader]
tegen
STICHTING JEUGDBESCHERMING ZEELAND
1. Feiten en procesverloop(1)
1.1 Op 17 oktober 2000 hebben [de vader] en [de echtgenote], de met het gezag belaste ouders van de onder toezicht gestelde minderjarigen [kind 1], geboren op 13 december 1983 te [geboorteplaats], [kind 2], geboren op 7 maart 1986 te [geboorteplaats], [kind 3], geboren op 15 januari 1989 te [geboorteplaats] en [kind 4], geboren op 27 december 1993 te [geboorteplaats]; een verzoekschrift bij de arrondissementsrechtbank te Middelburg ingediend, strekkende tot geheel of gedeeltelijk vervallen verklaring van de door verweerster in cassatie, Jeugdbescherming Zeeland, gegeven aanwijzing.
1.2 Op 9 november 2000 is van de gezinsvoogdij-instelling het hulpverleningsplan en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling van iedere minderjarige afzonderlijk ontvangen. Op 16 november 2000 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.
1.3 De ouders en de gezinsvoogdij-instelling zijn gehoord. De pleegouders van de minderjarigen en de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] hebben hun mening schriftelijk kenbaar gemaakt.
1.4 Bij beschikking van 16 november 2000 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen op de grond dat de gegeven aanwijzing passend is en dat in het belang van (een goede ontwikkeling van) de kinderen de contacten met de kinderen en hun pleegouders, conform de aanwijzing van de gezinsvoogdij-instelling, alleen door tussenkomst van de gezinsvoogdes mogelijk kunnen zijn.
1.5 Verzoeker tot cassatie, de vader, heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. In het verzoekschrift tot cassatie wordt een middel voorgesteld. Jeugdbescherming Zeeland heeft in haar verweerschrift van 15 februari 2001 primair verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren. De vader heeft daarop gereageerd met een verweerschrift van 8 maart 2001, waarna de Stichting bij brief van 27 maart 2001 heeft verzocht daarop nog te mogen reageren. Vervolgens heeft de Stichting zich bij faxbericht van 12 juni 2001 over het verweerschrift uitgelaten.
2. Ontvankelijkheid
2.1 Zoals onder 1 vermeld gaat het hier om een verzoek tot geheel of gedeeltelijk vervallen verklaring van een gegeven aanwijzing, dat bij beschikking van de rechtbank van 16 november 2000 is afgewezen.
In beginsel kan slechts beroep in cassatie worden ingesteld tegen een beschikking waartegen geen ander gewoon rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan (art. 96 RO Pro). Voor verzoeker heeft op grond van art. 807 onder Pro a Rv. in verbinding met art. 1: 263a lid 2 BW hoger beroep open gestaan tot 16 januari 2001(2). De vader is derhalve niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot cassatie.
2.2 Ingevolge art. 340 Rv Pro. in verbinding met art. 429n lid 2 Rv.(3) zou alsnog hoger beroep kunnen worden ingesteld tegen de bestreden beschikking binnen twee maanden vanaf de dag van de uitspraak in cassatie. Vereist is dan wel dat het cassatieberoep tijdig, dat wil zeggen binnen de termijn van hoger beroep, is ingesteld.
2.3 De rolkaart vermeldt dat het verzoekschrift tot cassatie op 16 januari 2001 is ingekomen. Uit ambtshalve ingewonnen inlichtingen bij de griffie van de Hoge Raad blijkt dat het verzoekschrift per fax op 16 januari 2001 is ontvangen. Per abuis is een datumstempel met als datum: 17 januari 2001, op het verzoekschrift geplaatst, waarna met pen de juiste datum, 16 januari 2001, is aangegeven. Het afschrift van het verzoekschrift dat aan de verweerder is gestuurd, is eveneens gedateerd op 16 januari 2001. Een en ander brengt mee dat het cassatieberoep tijdig is ingesteld.
2.4 Overigens zou uit de door de vader overgelegde productie 1 bij verweerschrift inzake de niet-ontvankelijkheid kunnen worden afgeleid dat wellicht al hoger beroep was ingesteld doch dat dit als ingetrokken wordt beschouwd. Deze kwestie speelt thans in cassatie geen rol, maar komt bij een eventueel hoger beroep aan de orde.
3. Conclusie
Deze strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie de bestreden beschikking.
2 De rechtbank heeft een en ander ook in haar beschikking aangegeven.
3 Zie voor de toepasselijkheid van art. 340 Rv Pro. in verzoekschriftprocedures de literatuur en jurisprudentie genoemd in Burgerlijke Rechtsvordering, Wesseling-van Gent, art. 429n, aant. 13.