ECLI:NL:PHR:2001:AB2734
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering makelaarscourtage bij niet-verkocht pand
De zaak betreft een geschil tussen een makelaar en een opdrachtgever over de betaling van courtage na beëindiging van een bemiddelingsovereenkomst voor de verkoop van een pand. De makelaar had het pand circa een jaar in portefeuille gehad zonder dat een verkoopovereenkomst tot stand kwam. Na intrekking van de opdracht door de opdrachtgever vorderde de makelaar betaling van courtage en gemaakte kosten.
De kantonrechter wees de vordering af, stellende dat de makelaar tekort was geschoten in de uitvoering van de opdracht, mede gelet op de aanzienlijke daling van de vraagprijs in een stijgende markt. De makelaar stelde cassatieberoep in tegen deze afwijzing.
De Hoge Raad overwoog dat tegen vonnissen van de kantonrechter slechts beperkt cassatieberoep openstaat en dat de gevorderde hoofdsom onder de appelgrens blijft. Tevens stelde de Hoge Raad vast dat de overeenkomst geen duidelijke regeling bevatte voor vergoeding bij intrekking zonder verkoop, en dat de kantonrechter de overeenkomst terecht in het voordeel van de opdrachtgever uitlegde. De conclusie van de Hoge Raad is dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de makelaar wordt verworpen en de vordering tot betaling van courtage wordt afgewezen.