ECLI:NL:PHR:2001:AB2733
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurder voor naheffingsaanslag omzetbelasting en toepassing gelijkheidsbeginsel
De zaak betreft een cassatieberoep van een bestuurder van Inpromar B.V. tegen zijn hoofdelijke aansprakelijkstelling voor een naheffingsaanslag omzetbelasting over 1989-1991. De inspecteur stelde de vennootschap en haar bestuurders aansprakelijk wegens discrepanties tussen aangiften en boekhouding, waaronder onjuist aangegeven omzetbelasting en niet aangegeven privégebruik van lease-auto's.
De ontvanger stelde de eiser hoofdelijk aansprakelijk, terwijl een medebestuurder onvindbaar was. De eiser voerde onder meer aan dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden doordat niet alle bestuurders werden gedagvaard. De rechtbank en het hof verwierpen dit verweer en bevestigden de aansprakelijkheid van de eiser.
De Hoge Raad overweegt dat hoofdelijke aansprakelijkheid inhoudt dat de schuldeiser slechts één bestuurder kan aanspreken voor het gehele bedrag. De ontvanger is gebonden aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel, maar mag bestuurders ongelijk behandelen indien dit verband houdt met verhaalsmogelijkheden of praktische invorderingsproblemen. Het beroep van de eiser wordt verworpen omdat de ontvanger redelijk handelde gezien de onvindbaarheid van de medebestuurder en de grove schuld van de eiser.
De Hoge Raad bevestigt dat de ontvanger niet verplicht is alle bestuurders gelijktijdig aansprakelijk te stellen en dat het ontbreken van goede trouw bij de eiser uitsluit dat hij een beroep kan doen op een regeling die betalingsonmacht toestaat. De uitspraak benadrukt de balans tussen keuzevrijheid van de ontvanger en bescherming van bestuurders binnen het kader van hoofdelijke aansprakelijkheid en beginselen van behoorlijk bestuur.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van de eiser en wijst het cassatieberoep af.