ECLI:NL:PHR:2001:AB2576
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van schenking onder opschortende voorwaarde bij verloving en beëindiging huwelijk
In deze zaak draait het om de vraag of een schenking onder opschortende voorwaarde rechtsgeldig is. De zoon van verweerder en de dochter van eiseres waren verloofd en bij die gelegenheid schonk verweerder sieraden en munten ter waarde van 7.000 gulden aan het beoogde bruidspaar. Na het verbreken van de verloving vorderde verweerder teruggave van de geschenken of vergoeding van de waarde daarvan.
De rechtbank wees de vordering grotendeels af, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat de schenking onder de voorwaarde stond dat het huwelijk zou plaatsvinden, een gebruik in de Turkse gemeenschap waartoe partijen behoorden. Omdat het huwelijk niet tot stand kwam, was teruggave of vergoeding gerechtvaardigd.
De Hoge Raad bevestigt dat een schenking onder opschortende voorwaarde mogelijk is volgens art. 3:38 en Pro 3:91 BW en dat het onherroepelijkheidsvereiste niet uitsluit dat een schenking onder een dergelijke voorwaarde kan worden gedaan. Ook het vereiste van een notariële akte bij hand- tot handgiften verandert hier niets aan. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de voorwaarde deel uitmaakt van de overeenkomst, ook als deze stilzwijgend is overeengekomen op grond van gewoonte binnen de betrokken gemeenschap.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van eiseres en bevestigt het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat een schenking onder opschortende voorwaarde rechtsgeldig is en veroordeelt eiseres tot vergoeding van de waarde van de geschenken.