ECLI:NL:PHR:2001:AB2549
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Voorlopige toewijzing van ouderlijk gezag aan vader bij niet-gehuwde ouders in afwachting van bodemprocedure
In deze zaak staat de voorlopige toewijzing van het ouderlijk gezag over een minderjarig kind aan de vader centraal, terwijl de ouders niet met elkaar gehuwd zijn. De vader is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam voorlopig belast met het gezag, een beslissing die door het hof werd bekrachtigd. De moeder stelde cassatieberoep in tegen deze voorlopige voorziening.
De Hoge Raad bespreekt de bevoegdheid van de kortgedingrechter om voorlopige voorzieningen te treffen in zaken van gezag bij niet-gehuwde ouders, aangezien de wettelijke regeling voor voorlopige voorzieningen in art. 1:253n BW ontbreekt. De Raad concludeert dat de kortgedingrechter bevoegd is om een voorlopige voorziening te treffen, waarbij analoge toepassing van art. 822 Rv Pro. passend is.
De voorlopige toewijzing aan de vader geldt totdat in de bodemprocedure definitief over het gezag is beslist. De Raad benadrukt dat de kortgedingrechter zijn oordeel moet afstemmen op dat van de bodemrechter, tenzij sprake is van een kennelijke misslag, wat hier niet is gesteld. Omdat de bodemrechter inmiddels een uitvoerbare eindbeschikking heeft gegeven, is de moeder in haar cassatieberoep niet ontvankelijk.
Deze uitspraak bevestigt de mogelijkheid van voorlopige gezagsvoorzieningen bij niet-gehuwde ouders en benadrukt de samenhang tussen kortgeding en bodemprocedure in familierechtelijke geschillen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de bodemrechter reeds een uitvoerbare eindbeschikking heeft gegeven.