ECLI:NL:PHR:2001:AB2204
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken van openbaarmaking in aanprijzing softdrugs op aanstekers
Verdachte werd door de politierechter veroordeeld wegens overtreding van artikel 3b lid 1 van de Opiumwet, omdat hij in een pand te Breda ongeveer 60 wegwerpaanstekers met het opschrift van een coffeeshop ter verspreiding in voorraad had. De politierechter kwalificeerde dit als een openbaarmaking die de verkoop van softdrugs bevordert.
De Hoge Raad onderzocht de betekenis van 'openbaarmaking' in de context van artikel 3b lid 1 Opiumwet, mede aan de hand van parlementaire geschiedenis en jurisprudentie. Hieruit volgt dat openbaarmaking betrekking heeft op het verspreidingsrecht, het publiekelijk verspreiden of tentoonstellen van een boodschap die gericht is op het aanprijzen van drugs, en niet op het louter ter verspreiding in voorraad hebben van dergelijke uitingen.
De aanstekers waren aangetroffen buiten de voor het publiek bestemde ruimte en het enkele feit dat zij aanwezig waren, betekent niet dat sprake is van openbaarmaking. De Hoge Raad oordeelt dat de politierechter de term 'openbaarmaking' verkeerd heeft uitgelegd en dat verdachte daarom vrijgesproken moet worden van het ten laste gelegde.
De uitspraak benadrukt dat het etaleren van een coffeeshopnaam niet automatisch een aansporing tot drugsgebruik inhoudt en dat het strafrechtelijke verbod zich richt op het daadwerkelijk verspreiden van aanprijzingen. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover het betrekking heeft op dit onderdeel en spreekt verdachte vrij.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat het ter verspreiding in voorraad hebben van aanstekers met coffeeshopnaam geen strafbare openbaarmaking vormt.