ECLI:NL:PHR:2001:AB1516
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid tot regelgeving bij identificatie en registratie van runderen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij een rechtspersoon een voorwaardelijke geldboete kreeg opgelegd wegens overtreding van een voorschrift krachtens artikel 93 van Pro de Wet op de bedrijfsorganisatie, namelijk het niet-oormerken van runderen.
Het middel van cassatie betrof de stelling dat het verbod in de Verordening identificatie en registratie runderen 1991 onverbindend zou zijn omdat het niet was gesteld door de bevoegde autoriteit zoals bedoeld in artikel 2 onder Pro d van richtlijn 92/102/EEG. De Hoge Raad overweegt dat deze definitie niet ziet op een regelgevende autoriteit en dat de bevoegdheid tot het stellen van regels aan het Landbouwschap is overgedragen krachtens artikel 93, tweede lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie.
Hoewel de overdracht van bevoegdheid niet strikt in medebewind plaatsvond maar in 'indirect medebewind', doet dit niet af aan de verbindendheid van het verbod. Het middel faalt daarom. De Hoge Raad wijst voorts op een verbeterde kwalificatie van het feit, namelijk overtreding van een voorschrift krachtens artikel 93 van Pro de Wet op de bedrijfsorganisatie, veertien maal gepleegd. Vernietiging van de strafoplegging wordt achterwege gelaten wegens gebrek aan belang.
Deze conclusie leidt tot vernietiging van het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de kwalificatie, met verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verordening blijft verbindend; alleen de kwalificatie wordt verbeterd.