ECLI:NL:PHR:2001:AB0904
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling risicoverdeling bij loonbetaling bij onjuiste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
De zaak betreft een werknemer die sinds 1976 bij de Rabobank werkte en vanaf september 1989 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt was. Na een periode van ziekte en arbeidsongeschiktheid verklaarde de werknemer zich bereid tot werkhervatting, maar de werkgever weigerde dit op basis van een medisch oordeel van de bedrijfsvereniging dat de werknemer nog arbeidsongeschikt was.
De werknemer vorderde loonbetaling over de periode dat hij niet mocht werken, omdat hij feitelijk niet arbeidsongeschikt bleek te zijn. De kantonrechter wees de vordering af, maar in hoger beroep werd de vordering deels toegewezen vanaf het moment dat de werkgever wist dat de werknemer weer arbeidsgeschikt was.
De Hoge Raad stelde centraal de vraag of het risico van een onjuist medisch oordeel over arbeidsongeschiktheid voor rekening van de werkgever komt. De Hoge Raad oordeelde dat wanneer de werknemer zich bereid verklaart te werken en achteraf blijkt niet arbeidsongeschikt te zijn, het risico van het onjuiste oordeel bij de werkgever ligt, ook als de werknemer zijn geschiktheid niet medisch heeft onderbouwd.
Het arrest vernietigt het eerdere vonnis en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling in lijn met deze overwegingen.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat het risico van een achteraf onjuist medisch oordeel over arbeidsongeschiktheid bij de werkgever ligt, ook zonder medische onderbouwing door de werknemer.