ECLI:NL:PHR:2001:AB0814
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt gezag van gewijsde van nietigverklaring merk en weigering nieuw depot
In deze zaak staat centraal of het Benelux Merkenbureau (BMB) bij een nieuw depot van een woordmerk dat eerder door de rechter is verworden tot soortnaam, kan volstaan met verwijzing naar die rechterlijke beslissing. ISP had het woordmerk CHIEN PU WAN opnieuw gedeponeerd na eerdere nietigverklaring en doorhaling van het merk. Het BMB weigerde de inschrijving definitief, verwijzend naar het vonnis van de rechtbank Breda dat het merk als soortnaam bestempelde.
ISP stelde dat het BMB niet gebonden was aan het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraak omdat het BMB geen partij was in die procedure en dat het bureau haar eigen onderzoeksplicht had. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het vonnis van de rechtbank Breda een constitutief vonnis is met werking tegenover derden, waaronder het BMB. De doorhaling van het merk leidt ertoe dat het merkenrecht vervalt en dit heeft rechtszekerheid tot gevolg.
De Hoge Raad benadrukte dat het BMB terecht het eerdere rechterlijke oordeel heeft gevolgd en dat het niet aan het bureau is om dat oordeel te herzien. Ook het argument dat het BMB onvoldoende onderzoek had gedaan, faalde omdat het eerdere vonnis bindend is. De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en stelde de beslissing over proceskosten aan, in afwachting van een prejudiciële uitspraak van het Benelux Gerechtshof.
Uitkomst: Het cassatieberoep van ISP wordt verworpen; het BMB mag het nieuwe depot weigeren op grond van het gezag van gewijsde van de eerdere nietigverklaring.