ECLI:NL:PHR:2001:AB0739
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid voorhanden hebben ongeschikte waren ondanks beoogde reiniging
In deze zaak is de verdachte door het hof veroordeeld wegens het voorhanden hebben van vijgen, dadels en kroepoek die ongeschikt waren voor gebruik, omdat deze waren aangevreten waren door ongedierte en uitwerpselen van ongedierte bevatten. De verdachte voerde in hoger beroep aan dat de Warenwet niet van toepassing was omdat de waren voorafgaand aan aflevering zouden worden gereinigd en in overeenstemming gebracht met de wettelijke eisen.
Het hof verwierp dit verweer met de overweging dat de uitzonderingsbepaling in artikel 1, derde lid, van de Warenwet alleen ziet op het afleveren van waren en niet op het voorhanden hebben of in voorraad hebben van waren. Ook als er een bewerkingsproces voorafgaat aan aflevering, verandert dit niets aan de bestemming tot aflevering van de waren.
De Hoge Raad bevestigt dat de wet niet verbiedt om waren in voorraad te hebben die nog geschikt gemaakt moeten worden, maar dat het voorhanden hebben van ongeschikte waren die bestemd zijn voor aflevering strafbaar blijft. Het beroep op de uitzonderingsbepaling faalt omdat de verdachte onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waren niet voor aflevering bestemd waren. De Hoge Raad wijst ook op de bewijslast die bij de ondernemer ligt en concludeert dat het middel niet tot cassatie kan leiden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor het voorhanden hebben van ongeschikte waren ondanks het beoogde reinigingsproces.