ECLI:NL:PHR:2001:AB0386

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/001HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 onder f Wet BopzWet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking voorlopige machtiging psychiatrische opname wegens onvoldoende motivering

Betrokkene verbleef aanvankelijk op vrijwillige basis in een psychiatrisch ziekenhuis na een voorlopige machtiging die niet werd voortgezet wegens termijnoverschrijding. De officier van justitie vorderde een nieuwe voorlopige machtiging, die door de rechtbank werd toegekend op basis van onvoldoende bereidheid tot vrijwillig verblijf en gevaar voor maatschappelijke tenondergang.

Betrokkene leed aan schizofrenie en ontkende ziektebesef en medicatiebehoefte. De rechtbank motiveerde summier dat betrokkene onvoldoende bereid was vrijwillig te verblijven en dat er gevaar bestond voor maatschappelijke tenondergang, maar gaf geen concrete feiten ter onderbouwing van het gevaar.

De Hoge Raad oordeelde dat de motivering van de rechtbank onvoldoende inzicht gaf in de beoordeling van het gevaar en de bereidheid, waardoor de beschikking niet controleerbaar en aanvaardbaar is. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen voor nieuwe beoordeling.

Daarnaast werd een procedurele klacht over het betrekken van een brief van de moeder in de beoordeling verworpen wegens gebrek aan feitelijke grondslag.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot voorlopige machtiging wegens onvoldoende motivering en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.

Conclusie

R 01/001 HR
Mr. Langemeijer
Parket, 19 januari 2001
(BOPZ)
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
In deze Bopz-zaak wordt een voorlopige machtiging bestreden met motiveringsklachten.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. De officier van justitie in het arrondissement Middelburg heeft op 30 oktober 2000 bij de rechtbank aldaar een voorlopige machtiging gevorderd ten aanzien van thans-verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene). Bij de vordering was de vereiste verklaring gevoegd van de geneesheer-directeur van het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg "Emergis", waar betrokkene op dat moment vrijwillig verbleef(1), alsmede het behandelplan.
1.2. Op 2 november 2000 heeft de rechtbank betrokkene, zijn advocate, zijn moeder, alsmede de behandelend psychiater Declercq gehoord. Op diezelfde dag heeft de rechtbank de vordering toegewezen en de gevraagde voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden.
1.3. Namens betrokkene is - tijdig - cassatieberoep ingesteld.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Onderdeel I richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel dat bij betrokkene onvoldoende sprake is van de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis op vrijwillige basis. De klacht wordt, kort samengevat, onderbouwd met de omstandigheid dat de nodige bereidheid reeds blijkt uit het feit dat betrokkene vrijwillig in het ziekenhuis is gebleven; bij de behandeling van de vorige vordering, op 12 oktober 2000, is reeds namens betrokkene aangevoerd dat betrokkene graag wil deelnemen aan een project "begeleid wonen".
2.2. Uit de geneeskundige verklaring en de verklaringen van de gehoorde personen heeft de rechtbank afgeleid dat betrokkene lijdt aan een geestesstoornis in de vorm van schizofrenie. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden. In het ziekenhuis wordt een behandeling gegeven die, volgens de arts ter terechtzitting, op den duur kan leiden tot begeleid wonen buiten het ziekenhuis. Betrokkene wordt verder behandeld met medicatie; tussen betrokkene en de behandelend arts is verschil van mening gerezen over de dosering van de medicijnen. De behandelend arts heeft aangedrongen op het vorderen van een voorlopige machtiging omdat betrokkene zonder machtiging opeens kan weggaan en gaan zwerven. Betrokkene heeft dat ontkend. Gevaar om plotseling weg te gaan is z.i. niet aan de orde. (p.-v. blz. 2).
2.3. De rechtbank heeft volstaan met een standaardmotivering: "Bij betrokkene is onvoldoende sprake van de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis op vrijwillige basis". Naar vaste rechtspraak is een dergelijke motivering toelaatbaar, mits de uit de gedingstukken naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat in de beschikking met een summiere motivering wordt volstaan(2). In dit geval zijn die feiten niet erg sprekend. Niettemin valt wel te reconstrueren wat de gedachtegang van de rechtbank is geweest. In de geneeskundige verklaring (rubriek 6) wordt vermeld dat een begeleiding onder dwang nodig is omdat "patiënt geen ziektebesef heeft en daardoor weiger[acht]ig staat t.a.v. medicijnen". Betrokkene heeft ter terechtzitting bevestigd: "Ik ben niet ziek en heb geen medicijnen nodig". De rechtbank stelt vast dat betrokkene, onder invloed van de stoornis, geen ziektebesef heeft. De gedachtegang van de rechtbank is kennelijk geweest, dat betrokkene wellicht op dit moment bereid is vrijwillig in het ziekenhuis te verblijven, maar te verwachten is dat hij, onder invloed van zijn stoornis, op een willekeurig ogenblik op deze bereidheid zal terugkomen. Daarbij zal ook een rol hebben gespeeld dat betrokkene ter zitting verklaarde: "ik blijf alleen hier omdat moeder dit wil." Bij de waardering van het realiteitsgehalte van een bereidverklaring beschikt de feitenrechter over een zekere - door de wetgever beoogde - beoordelingsmarge(3).
2.4. Onderdeel II richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel dat betrokkene door een stoornis van de geestvermogens gevaar veroorzaakt, dat niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Dit gevaar betreft volgens de rechtbank: "de maatschappelijke tenondergang van betrokkene". Het begrip maatschappelijke tenondergang(4) is erkend als grond voor dwangopneming(5). Het cassatiemiddel bestrijdt niet dat maatschappelijke tenondergang een grond voor dwangopneming kan zijn; het bestrijdt de deugdelijkheid van de motivering.
2.5. De rechtbank vermeldt in de beschikking dat betrokkene geen ziektebesef heeft, oninvoelbaar lacht en wanen heeft en dat hij vóór zijn opname jaren dakloos was. De geneeskundige verklaring en overige stukken bieden geen nadere omschrijving van het gevaar. Het gebrek aan ziektebesef, het lachen en de wanen zeggen op zichzelf niets over enig te duchten gevaar voor een of meer personen - degene die het gevaar veroorzaakt daaronder begrepen - of voor de algemene veiligheid van personen of goederen (de omschrijving van art. 1 lid 1 onder Pro f Wet Bopz). Dat iemand dakloos is, is niet per se gevaarlijk in de zin van art. 1 Wet Pro Bopz; dat zou een vooroordeel zijn. Er zijn in de geschiedenis altijd mensen geweest die voor een zwervend bestaan hebben gekozen. Het criterium van het gevaar voor maatschappelijke tenondergang komt dicht in de buurt van het door de Bopz-wetgever niet gewenste zgn. "bestwil-criterium". Als de uit het dossier naar voren komende feiten onvoldoende sprekend zijn, mag van de rechtbank worden gevergd, dat zij preciseert "voor welk gevaar nu eigenlijk moet worden gevreesd indien een voorlopige machtiging zou uitblijven"(6). Het kan zijn, dat de rechtbank hier heeft gevreesd voor zelfverwaarlozing ten gevolge van een dakloos bestaan, met schade voor de fysieke gezondheid van betrokkene. Even goed is denkbaar, dat de rechtbank het oog heeft gehad op de bijzondere aard van de ziekte van betrokkene(7). Ook andere beweegredenen zijn niet uitgesloten. Ik wil niet speculeren, welk gevaar de rechtbank voor ogen heeft gehad. De motivering verschaft m.i. onvoldoende inzicht in 's rechters gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden, waaronder begrepen de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken. De slotsom is, dat onderdeel II m.i. slaagt en de bestreden beschikking niet in stand zal kunnen blijven.
2.6. Onderdeel III behoeft in geval van vernietiging geen bespreking. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting (blz. 1), heeft de moeder van betrokkene voor de aanvang van het verhoor een brief met bijlagen aan de rechtbank overgelegd; in de beschikking zelf wordt vermeld dat een kopie hiervan aan de advocate van betrokkene verzonden zal worden. Noch uit het proces-verbaal, noch uit de aangevallen beschikking blijkt dat aan betrokkene en diens advocate vóór het nemen van de beslissing gelegenheid is geboden zich over die brief uit te laten(8). De klacht is ingediend voor zover de rechtbank deze brief met bijlagen in de beoordeling heeft betrokken. Het middel stelt niet dát de rechtbank deze brief met bijlagen in de beoordeling heeft betrokken. Evenmin zijn daarvoor aanwijzingen te vinden in de beschikking of in het proces-verbaal. Deze klacht leidt bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Middelburg ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Klaarblijkelijk is betrokkene in het ziekenhuis opgenomen op basis van een op 17 augustus 2000 verleende voorlopige machtiging voor de duur van twee maanden. De officier van justitie heeft op 27 september 2000 een machtiging voortgezet verblijf gevorderd, maar is bij beschikking van 12 oktober 2000 wegens termijnoverschrijding in die vordering niet-ontvankelijk verklaard. Sedert 18 oktober 2000 verblijft betrokkene dus vrijwillig in het ziekenhuis.
2 Zie o.m.: HR 16 mei 1997, NJ 1998, 221 m.nt. JdB.
3 Laurs (red.), Handboek Opneming en Verblijf, aant. 5.1.2 op art. 2 Wet Pro Bopz (Dijkers); vgl. HR 7 april 1995, NJ 1995, 616 m.nt. JdB; HR 6 februari 1998, NJ 1998, 302.
4 De (in deze zaak nog niet toepasselijke) wijzigingswet van 22 juni 2000 Stb. 292, spreekt van: "het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat".
5 Zie, onder de vigeur van de vroegere Krankzinnigenwet: HR 26 april 1985, NJ 1985, 681.
6 HR 17 maart 2000, NJ 2000, 312.
7 Vgl. Laurs (red.), Handboek Opneming en Verblijf, aant. 3.4.3 op art. 2 Wet Pro Bopz (Dijkers), t.a.v. schizofrenie: "Het gaat hier om een ziekte die vooral jeugdigen treft in een periode dat zij de basis moeten leggen voor hun latere sociale, relationele en professionele leven. De eerste psychose, als uiting van de schizofrenie, bederft deze ontwikkeling grondig. Hoe eerder betrokkene op antipsychotische medicijnen wordt ingesteld, des te beter de prognose op lange termijn."
8 Vgl. HR 5 november 1999, NJ 2000, 64.