ECLI:NL:PHR:2001:AB0201
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over mogelijkheid tot verzoeken tot nevenvoorzieningen in hoger beroep bij echtscheiding
De zaak betreft een echtscheidingsprocedure tussen partijen die in 1981 in Marokko zijn gehuwd en zes kinderen hebben. De rechtbank Utrecht sprak op 4 augustus 1999 de echtscheiding uit en bepaalde dat de moeder huurster zou zijn van de echtelijke woning. De moeder kwam in hoger beroep bij het hof Amsterdam met verzoeken tot het toewijzen van het ouderlijk gezag, het vaststellen van kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap.
Het hof verklaarde zowel de moeder als de vader niet-ontvankelijk in hun hoger beroep, omdat het hof oordeelde dat verzoeken tot nevenvoorzieningen niet voor het eerst in hoger beroep kunnen worden gedaan. De moeder stelde cassatie in tegen deze beslissing met het middel dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had.
De Hoge Raad oordeelde dat verzoeken tot nevenvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 827 Rv Pro ook in hoger beroep kunnen worden gedaan, ook voor het eerst. Het hof had hiermee de wet- en regelgeving en de wetsgeschiedenis onjuist toegepast. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof Amsterdam en verwees de zaak terug voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt dat verzoeken tot nevenvoorzieningen ook voor het eerst in hoger beroep kunnen worden gedaan.