ECLI:NL:PHR:2001:AB0033
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vervangende toestemming erkenning kind bij weigering moeder
In deze zaak gaat het om de vraag of de rechtbank terecht vervangende toestemming heeft verleend aan de vader om het kind te erkennen, ondanks de weigering van de moeder. De moeder had haar toestemming geweigerd vanwege haar depressieve klachten en de vrees dat de vader het kind zou willen afnemen. De vader, die de biologische verwekker is, had de rechtbank verzocht om vervangende toestemming op grond van artikel 1:204 lid 3 BW Pro.
De rechtbank en het hof hadden het verzoek van de vader toegewezen en de weigering van de moeder verworpen. Het hof overwoog dat zowel het kind als de verwekker aanspraak hebben op erkenning van hun familierechtelijke relatie en dat het belang van de verwekker moet worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind bij een ongestoorde verhouding. Het hof stelde dat alleen in uitzonderlijke gevallen, zoals verkrachting of langdurige verwaarlozing door de verwekker, het belang van de moeder kan prevaleren.
De moeder stelde in cassatie dat het hof een hiërarchie tussen belangen had moeten aanbrengen en dat het belang van de moeder en het kind altijd voor zou moeten gaan. De Hoge Raad verwierp deze stelling en bevestigde de afwegingsmethode van het hof. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het hof voldoende gemotiveerd had geoordeeld dat de belangen van moeder en kind niet werden geschaad door erkenning. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de vervangende toestemming voor erkenning door de vader.