ECLI:NL:PHR:2001:AA9432

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C99/120HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing wegens onjuiste beoordeling mededelingsplicht en exploitatiebeperkingen

In deze zaak heeft de Hoge Raad het bestreden vonnis vernietigd voor zover het de beslissing betreft over de mededelingsplicht van eiseres met betrekking tot exploitatiebeperkingen. De rechtbank had essentiële passages over het hoofd gezien, waardoor een onjuiste en onvoldoende gemotiveerde beoordeling heeft plaatsgevonden.

De Hoge Raad oordeelt dat indien de uitlatingen van eiseres niet als het voldoen aan de mededelingsplicht kunnen worden beschouwd, dit zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. De conclusie stelt dat schending van de mededelingsplicht, afhankelijk van de omstandigheden, zowel een beroep op dwaling als op een toerekenbare tekortkoming kan rechtvaardigen.

Verder is vastgesteld dat de rechtbank de grondslag van de door verweerder ingestelde schadevergoedingsvordering niet anders heeft opgevat dan bedoeld, zodat onderdeel II van het cassatiemiddel geen feitelijke grondslag heeft. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling en beslissing over de reconventionele vordering.

Uitkomst: Het bestreden vonnis wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling en beslissing.

Conclusie

Mr. Hartkamp
nr. C99/120HR
zitting 20 oktober 2000
Conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
De klachten van onderdeel I van het tijdig voorgestelde cassatiemiddel acht ik terecht voorgesteld. Indien de rechtbank de in het onderdeel geciteerde passages over het hoofd heeft gezien, heeft zij een essentiële stelling gepasseerd. Indien zij van oordeel was dat die uitlatingen niet kunnen worden beschouwd als het voldoen door [eiseres] aan haar mededelingsplicht met betrekking tot het bestaan van de exploitatiebeperkingen, is dat oordeel m.i. zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
Onderdeel II mist m.i. feitelijke grondslag. Uit het vonnis blijkt niet dat de rechtbank de grondslag van de door [verweerder] in reconventie ingestelde schadevergoedingsvordering anders heeft opgevat dan zij door [verweerder] is bedoeld. Schending van een mededelingsplicht kan, afhankelijk van de omstandigheden, zowel een beroep op dwaling als een beroep op een toerekenbare tekortkoming rechtvaardigen. Zie de conclusie voor HR 13 nov. 1998, NJ 1999, 72. De reconventionele vordering kan na verwijzing nog integraal aan de orde komen.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover het de door onderdeel 1 bestreden beslissing betreft en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
(Advocaat-Generaal)