7) De onderdelen 4 en 5 richten zich tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.5 dat, indien er geen sprake is van een door [eiseres] opgewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene A] waarop [verweerster] mocht vertrouwen, [eiseres] de schijn heeft gewekt de rechtshandeling bekrachtigd te hebben.
Onderdeel 4 faalt weer bij gebreke van feitelijke grondslag waar het over de voormelde "uitdrukkelijke afspraak" spreekt.
Overigens geeft 's hofs beslissing m.i. niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is zij niet onbegrijpelijk.
Hierop stuit onderdeel 5 af, dat is gericht tegen de motivering waarop het oordeel van het hof met betrekking tot de schijn van bekrachtiging berust. Het enkele feit dat [eiseres] de orderbevestiging naast zich heeft neergelegd, is volgens het onderdeel onvoldoende om een schijn van bekrachtiging te wekken. Bovendien had [verweerster] volgens het onderdeel naar de reden van het uitblijven van het retourneren van de getekende orderbevestiging moeten informeren. Het onderdeel voegt daaraan toe, dat mocht het oordeel van het hof wel berusten op andere omstandigheden, die omstandigheden dat oordeel niet kunnen dragen.
Bekrachtiging kan stilzwijgend geschieden en worden afgeleid uit het stilzitten, niet reageren of niet protesteren van degene die bevoegd is tot bekrachtiging. Vgl. Losbladige Contractenrecht, a.w. aant. 320. Indien bekrachtiging ontbreekt kan er sprake zijn van een gewekte schijn van bekrachtiging waarop de derde mag vertrouwen; vgl. recent HR 15 januari 1999, NJ 1999, 574. Of een derde gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de schijn van bekrachtiging hangt af van vergelijkbare factoren als het antwoord op de vraag of gerechtvaardigd is vertrouwd op een schijn van volmacht. Vgl. Losbladige Contractenrecht, a.w. aant. 322.
Uit het arrest van het hof blijkt, anders dan in subonderdeel 5a wordt verondersteld, dat het hof de schijn van bekrachtiging niet slechts heeft afgeleid uit het enkele feit dat [eiseres] de orderbevestiging naast zich heeft neergelegd. In r.o. 5.5 wordt immers in aanmerking genomen dat [eiseres] heeft nagelaten om zich onmiddellijk op de onbevoegdheid van [betrokkene A] te beroepen, dat [betrokkene A] in de zomer c.q. het najaar van 1992 aan (ex-) werknemers van [verweerster] het sluiten van de overeenkomst niet heeft ontkend en heeft gereageerd alsof de overeenkomst zou worden nagekomen en dat evenmin is gebleken dat [eiseres] contact heeft opgenomen met [betrokkene A] om hem op te dragen de opdracht te ontkennen. Aldus heeft het hof aangegeven dat gedragingen van [eiseres] die plaats hebben gevonden na de onbevoegd verrichte rechtshandeling - vgl. Losbladige Contractenrecht IX, a.w. aant. 322 sub a - bij [verweerster] de schijn hebben gewekt dat [eiseres] aan de overeenkomst gebonden was. Tevens heeft het hof overwogen dat gelet op deze omstandigheden [verweerster] er in beginsel geen rekening mee behoefde te houden dat [eiseres] niet aan de overeenkomst gebonden wilde zijn, welke overweging impliceert dat in de gegeven omstandigheden op [verweerster] niet de plicht rustte om na te gaan wat de reden was van het achterwege blijven van het retourneren van de orderbevestiging.
Ook de klachten van subonderdeel 5b stuiten op het voorgaande af. Het hof heeft zijn beslissing niet gebaseerd op gedragingen van [betrokkene A] "sec", maar op het feit dat gedragingen van [eiseres] "via [betrokkene A] - en indirect via [betrokkene C] - in de richting van [verweerster]" een schijn hebben gewekt en doen voortduren (r.o. 5.5 in fine). Anders dan het subonderdeel poneert, behoefde het hof hierbij niet te onderscheiden tussen gedragingen die (mogelijkerwijs) meer in het bijzonder betrekking hadden op de schijn van volmachtverlening en gedragingen die meer in het bijzonder betrekking hadden op de schijn van bekrachtiging. Mede omdat een nauwkeurig onderscheid tussen deze beide figuren in de praktijk vaak niet valt te maken (zie de conclusie voor HR 15 januari 1999, NJ 1999, 574 en Losbladige Contractenrecht, a.w. nr. 322 onder a), kan niet worden gezegd dat bepaalde omstandigheden door de feitenrechter slechts in het ene en niet in het andere kader mogen worden gewogen.