ECLI:NL:PHR:2000:AA9142
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgang en eisen terugvordering bijstandsuitkering door gemeente Utrecht
In deze zaak gaat het om de terugvordering van een bijstandsuitkering die de gemeente Utrecht aan verzoeker heeft verstrekt over de periode van 1 augustus 1990 tot 1 februari 1997. De gemeente vorderde terugbetaling van de uitkering over de periode van 8 mei 1995 tot 31 januari 1997, omdat verzoeker niet had gemeld dat hij beschikte over inkomsten en vermogen boven het vrij te laten bedrag.
De gemeente maakte het terugvorderingsbesluit bekend bij brief van 13 februari 1997, waarna zij bij de kantonrechter een verzoekschrift indiende om terugbetaling te gelasten. Verzoeker verscheen niet in eerste aanleg, waarna de kantonrechter het verzoek toewijst. In hoger beroep bevestigde de rechtbank deze beslissing. Verzoeker stelde cassatie in tegen het oordeel dat de civiele procedure de juiste rechtsgang was.
De Hoge Raad bespreekt de rechtsgang bij terugvorderingszaken en stelt vast dat de datum van bekendmaking van het terugvorderingsbesluit bepalend is. Voor besluiten vóór 1 juli 1997 geldt dat de civiele procedure gevolgd moet worden, terwijl besluiten na die datum executoriale kracht hebben en bezwaar- en beroepsprocedures via de bestuursrechter openstaan. Omdat het besluit in deze zaak vóór 1 juli 1997 is genomen, was de civiele procedure correct.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de gemeente de juiste procedure heeft gevolgd. Tevens wordt verzoeker veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de civiele procedure bij de kantonrechter is de juiste rechtsgang voor terugvorderingsbesluiten van vóór 1 juli 1997.