ECLI:NL:PHR:2000:AA9137

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/058HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 87 AbwArt. XVI Wet Boeten c.a.Art. 43a ROArt. 156 RvArt. 426 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid kantonrechter bij terugvordering bijzondere bijstand na wetswijziging

In deze zaak staat centraal of de kantonrechter bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek tot terugvordering van bijzondere bijstand dat na 1 juli 1997 is ingediend. De gemeente had betrokkene renteloze geldleningen verstrekt en wilde het openstaande bedrag via de kantonrechter terugvorderen. De kantonrechter wees het verweer van betrokkene af en kende het verzoek toe, wat door betrokkene in hoger beroep werd bevestigd.

Betrokkene stelde in cassatie dat de kantonrechter onbevoegd was, omdat sinds 1 juli 1997 de terugvordering van bijstandskosten via een bestuursrechtelijke procedure moet verlopen. De Hoge Raad oordeelt dat de kantonrechter inderdaad onbevoegd is indien het terugvorderingsbesluit na die datum is genomen, maar dat uit het dossier niet blijkt of een dergelijk besluit vóór 1 juli 1997 is genomen.

Daarom vernietigt de Hoge Raad de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar het hof voor verdere behandeling, omdat niet is uitgesloten dat een terugvorderingsbesluit vóór de wetswijziging is genomen. De zaak bevat ook een bespreking van de toepasselijke overgangsrechtelijke bepalingen en de ambtshalve toetsing van absolute bevoegdheid door de rechter.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de kantonrechter en verwijst de zaak naar het hof wegens onduidelijkheid over de bevoegdheid.

Conclusie

R 00/058 HR
Mr. Langemeijer
Parket, 6 oktober 2000
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
de gemeente Amstelveen
Edelhoogachtbaar College,
In deze bijstandszaak gaat het om de vraag of een gemeente na 1 juli 1997 met een terugvorderingsverzoek bij de kantonrechter terecht kan.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Gerekestreerde in cassatie (hierna: de gemeente) heeft bij beschikking van 5 januari 1993 aan verzoeker in cassatie (hierna: betrokkene) bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening groot f 1.430,-. Bij beschikking van 6 mei 1993 heeft de gemeente aan betrokkene bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening van f 2.880,-, later veranderd in f 2067,-. Voor beide geldleningen heeft betrokkene een schuldbekentenis ondertekend, waarin een aflossingschema werd bepaald(1).
1.2. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 5 augustus 1998, heeft de gemeente aan de kantonrechter te Amsterdam verzocht het door betrokkene aan de gemeente verschuldigde bedrag te bepalen op f 2.834,60. De gemeente heeft daartoe aangevoerd dat betrokkene de leenschulden slechts gedeeltelijk heeft afgelost. Van de eerste schuld stond volgens de gemeente nog f 790,- open en van de tweede schuld f 2.044,60.
1.3. Betrokkene heeft materieel verweer gevoerd. Kort samengevat, voerde hij aan dat de gemeente hem had toegezegd dat de leensom uitsluitend zou behoeven te worden terugbetaald indien en nadat betrokkene zijn woning met een netto positief resultaat
zou hebben verkocht. Volgens betrokkene is aan die voorwaarde niet voldaan omdat zijn woning met verlies verkocht is.
1.4. De kantonrechter heeft bij beschikking van 11 juni 1999 dit verweer verworpen en het verzoek van de gemeente geheel toegewezen.
1.5. Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Amsterdam. De grieven hadden betrekking op het materiële verweer, dat in cassatie verder buiten beschouwing kan blijven. Bij beschikking van 8 maart 2000 heeft de rechtbank de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.
1.6. Betrokkene heeft tijdig(2) cassatieberoep ingesteld. De gemeente heeft afgezien van het indienen van een verweerschrift.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Het cassatiemiddel houdt in dat de rechtbank ambtshalve had behoren te beslissen dat de kantonrechter onbevoegd was om over het inleidend verzoek van de gemeente te oordelen. Het middel wijst op de inwerkingtreding op 1 juli 1997 van het desbetreffende gedeelte van de wet van 25 april 1996, Stb. 248 (de Wet Boeten c.a.). Sedert 1 juli 1997 dient de terugvordering van kosten van bijstand volgens het middel te geschieden door het nemen van een terugvorderingsbesluit, dat ingevolge art. 87 lid 1 Abw Pro een executoriale titel oplevert en waartegen een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat.
2.2. De klacht komt mij gegrond voor. De Wet Boeten c.a. bepaalt in art. XVI, tweede lid, dat ten aanzien van besluiten tot terugvordering die vóór 1 juli 1997 bekend zijn gemaakt, het recht zoals dat vóór 1 juli 1997 gold van toepassing blijft. Is het besluit tot terugvordering bekend gemaakt vóór 1 juli 1997, dan dient de gemeente dus een verzoekschrift in te dienen bij de kantonrechter(3). Is het besluit tot terugvordering bekend gemaakt op of na 1 juli 1997, dan geldt de regel van art. 87 lid 1 Abw Pro. Uit de beschikbare gedingstukken blijkt niet dat de gemeente vóór 1 juli 1997 een besluit tot terugvordering heeft genomen en bekend heeft gemaakt.
2.3. De kantonrechters nemen slechts kennis van burgerlijke zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid voor zover de kennisneming daarvan hun door de wet is opgedragen (art. 43a RO). Art. 156 Rv Pro bepaalt dat, ingeval de rechter onbevoegd mocht zijn uit hoofde van het onderwerp van het geschil, hij gehouden is zich onbevoegd te verklaren, ook al is geen exceptie van onbevoegdheid voorgesteld. De kantonrechter had zich uit hoofde van het onderwerp van het geschil onbevoegd behoren te verklaren. De rechter in appèl dient, ook zonder dat een daartoe strekkende grief tegen het vonnis is gericht, de absolute bevoegdheid van de rechter in eerste aanleg te toetsen (tenzij de rechter in appèl de appellant niet-ontvankelijk acht in zijn hoger beroep en daarom niet aan die toetsing toekomt)(4).
2.4. De rechtbank heeft dus hetzij een onjuiste rechtsopvatting gehad omtrent de bevoegdheid van de kantonrechter om kennis te nemen van een na 1 juli 1997 ingediend terugvorderingsverzoek in een geval, waarin niet vaststaat dat de overgangsregel van toepassing is met betrekking tot vóór die datum bekend gemaakte terugvorderingsbesluiten, hetzij een onjuiste rechtsopvatting gehad van haar verplichting om de bevoegdheid van de kantonrechter ambtshalve te onderzoeken, hetzij nagelaten haar oordeel te motiveren. Het cassatieverzoekschrift roert aan het slot de vraag aan, of na vernietiging van de bestreden uitspraak nog feitelijk onderzoek nodig is. Uit het dossier blijkt niet van een besluit tot terugvordering, genomen vóór 1 juli 1997. De Hoge Raad zou hierin aanleiding kunnen vinden de zaak zelf af te doen en de kantonrechter alsnog onbevoegd te verklaren tot kennisneming van het inleidend verzoekschrift. Het is echter niet geheel uit te sluiten dat vóór 1 juli 1997 wel een besluit tot terugvordering genomen is doch in de gedingstukken onvermeld is gelaten omdat betrokkene in feitelijke aanleg geen verweer van deze aard heeft gevoerd. Om deze reden verdient verwijzing m.i. de voorkeur.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het hof van het ressort.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Zie voor de volledige feitenvaststelling: rov. 6.2 van de bestreden beschikking.
2 Het cassatieverzoekschrift is ingekomen op 8 mei 2000, dus binnen 2 maanden na de bestreden beschikking. Nu het inleidend verzoekschrift is ingediend na 1 januari 1996, kan voor de berekening van de appeltermijn art. 429n lid 2 Rv analoog worden toegepast; als een appeltermijn van twee maanden geldt, kan voor de berekening van de cassatietermijn de hoofdregel van art. 426 lid 1 Rv Pro worden aangehouden (HR 20 februari 1998, NJ 1999, 561 m.nt. HJS; HR 19 november 1999, NJ 2000, 84).
3 Aldus is ook afgesproken door de kantonrechters en de sectoren bestuursrecht van de rechtbanken: zie de mededeling in Trema, bijlage Actueel 1997-7, blz. 52-53. Zie hierover ook mijn conclusie van heden in de zaak R 00/033 HR.
4 HR 22 mei 1987, NJ 1988, 291 m.nt. WHH. Zie ook Snijders/Wendels, Civiel appel (1999) nrs. 35 en 41.