ECLI:NL:PHR:2000:AA9070
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bevoegdheid minister bij toestemming verderlevering in uitleveringszaak
In deze uitleveringszaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de opgeëiste persoon verworpen tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam. De rechtbank had de uitlevering deels ontoelaatbaar verklaard voor een feit uit 1995/1996 en deels toelaatbaar voor andere feiten. Het geschil betrof onder meer de vraag of de Roemeense autoriteiten toestemming hadden gegeven voor de verderlevering aan Duitsland en wie bevoegd is om deze toestemming te beoordelen.
De Hoge Raad bevestigt dat het aan de minister van Justitie is om te beslissen over de toestemming voor verderlevering, zoals geregeld in art. 12 van Pro de Uitleveringswet en art. 15 van Pro het Europees Uitleveringsverdrag. De rechtbank heeft dit correct toegepast en de stelling dat de rechter deze bevoegdheid zou hebben, verworpen.
Daarnaast is het ne bis in idem-beginsel aan de orde gekomen. De Hoge Raad stelt dat dit beginsel niet van toepassing is zolang er nog geen onherroepelijk vonnis is in Nederland en de strafzaak nog niet inhoudelijk is behandeld. De minister dient dit mee te wegen bij zijn beslissing over uitlevering.
Tot slot merkt de Hoge Raad op dat de formulering van de toelaatbaarheid van uitlevering aan de Duitse autoriteiten beter had kunnen luiden als uitlevering aan de Bondsrepubliek Duitsland, maar dit leidt niet tot vernietiging. De middelen falen en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.