ECLI:NL:PHR:2000:AA9070

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02476/00 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 UwArt. 15 EUVArt. 8 EUVArt. 9 UwArt. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bevoegdheid minister bij toestemming verderlevering in uitleveringszaak

In deze uitleveringszaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de opgeëiste persoon verworpen tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam. De rechtbank had de uitlevering deels ontoelaatbaar verklaard voor een feit uit 1995/1996 en deels toelaatbaar voor andere feiten. Het geschil betrof onder meer de vraag of de Roemeense autoriteiten toestemming hadden gegeven voor de verderlevering aan Duitsland en wie bevoegd is om deze toestemming te beoordelen.

De Hoge Raad bevestigt dat het aan de minister van Justitie is om te beslissen over de toestemming voor verderlevering, zoals geregeld in art. 12 van Pro de Uitleveringswet en art. 15 van Pro het Europees Uitleveringsverdrag. De rechtbank heeft dit correct toegepast en de stelling dat de rechter deze bevoegdheid zou hebben, verworpen.

Daarnaast is het ne bis in idem-beginsel aan de orde gekomen. De Hoge Raad stelt dat dit beginsel niet van toepassing is zolang er nog geen onherroepelijk vonnis is in Nederland en de strafzaak nog niet inhoudelijk is behandeld. De minister dient dit mee te wegen bij zijn beslissing over uitlevering.

Tot slot merkt de Hoge Raad op dat de formulering van de toelaatbaarheid van uitlevering aan de Duitse autoriteiten beter had kunnen luiden als uitlevering aan de Bondsrepubliek Duitsland, maar dit leidt niet tot vernietiging. De middelen falen en het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Conclusie

Nr. 02476/00/U
Mr Wortel
Zitting: 7 november 2000
(bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verzoeker=de opgeëiste persoon]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het namens verzoeker ingestelde cassatieberoep betreft een op 20 juni 2000 door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam gedane uitspraak waarbij de uitlevering van verzoeker aan de Duitse autoriteiten ter fine van vervolging deels ontoelaatbaar (ter zake van het als feit 2 in een Haftbefehl van het Amtsgericht te Karlsruhe van 21 februari 2000, kenmerk Gs 460/00 E omschreven feit) en deels toelaatbaar (ter zake van de overige in dat Haftbefehl omschreven feiten) is verklaard.
2. Namens verzoeker heeft mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel ziet op de omstandigheid dat de uitlevering van verzoeker aan de Bondsrepubliek Duitsland ‘verderlevering’ in de zin van art. 15 van Pro het - op dit uitleveringsverzoek toepasselijke - Europees Verdrag betreffende de uitlevering (EUV, Trb 1965, 9) zal vormen. Uit de stukken blijkt dat verzoeker naar aanleiding van een Nederlands verzoek door de Roemeense autoriteiten aan Nederland is uitgeleverd. Tot de stukken behoren voorts een afschrift van een in de Roemeense taal gestelde uitspraak van het ‘Tribunalu Bucuresti, Sectia I Penala’, alsmede een door een beëdigd vertaler gewaarmerkte vertaling van dat stuk, waaruit blijkt dat het een op 30 maart 2000 gedane uitspraak van de Rechtbank te Boekarest betreft, waarbij op een daartoe strekkend verzoek van de Nederlandse autoriteiten de grondslag van de uitlevering van verzoeker aan Nederland is uitgebreid tot andere feiten, en tevens toestemming is verleend voor de verdere uitlevering van verzoeker aan de Bondsrepubliek Duitsland.
4. Aan het proces-verbaal van de zitting van de Amsterdamse Rechtbank is een exemplaar gehecht van bij die gelegenheid overgelegde pleitnotities. Daarin is onder meer opgemerkt dat de uitspraak van de Rechtbank de Boekarest aldus moet worden gelezen dat de toestemming om verzoeker verder te leveren aan de Bondsrepubliek slechts gegeven is met betrekking tot de feiten die in dezelfde uitspraak zijn toegevoegd aan de grondslag van de uitlevering van verzoeker aan Nederland. De verdediging heeft betoogd dat, aangezien dit geen feiten zijn die vóór 1997 werden begaan - en met het oog op het ‘specialiteitsbeginsel’ dat het uitleveringsrecht beheerst - de uitlevering van verzoeker aan de Bondsrepubliek ontoelaatbaar verklaard moet worden met betrekking tot hetgeen in het tegen verzoeker uitgevaardigde Haftbefehl als feiten 1 en 2 is omschreven, welke feiten in 1995 en in 1996 zouden zijn gepleegd.
5. Dienaangaande is in de bestreden uitspraak overwogen:
“Namens de opgeëiste persoon is het navolgende gesteld. De uitlevering dient ontoelaatbaar te worden verklaard aangezien -kort weergegeven- de Roemeense autoriteiten op grond van de onder 4. vermelde stukken,” (het vonnis van de Rechtbank te Boekarest en begeleidend schrijven, JW) “niet geacht kunnen worden toestemming te hebben gegeven voor de verderlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland ter strafvervolging van de feiten genoemd in het Haftbefehl.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Het antwoord op de vraag of de Roemeense autoriteiten in de onderhavige zaak toestemming tot verderlevering naar Duitsland hebben gegeven is niet voorbehouden aan de rechtbank maar aan de Minister van Justitie.”
6. Nu de uitlevering van verzoeker aan de Bondsrepubliek Duitsland ontoelaatbaar is verklaard
ten aanzien van het in het Haftbefehl onder 2. omschreven feit, kan het middel, dat tegen deze
verwerping van het verweer opkomt, slechts betrekking hebben op de toelaatbaarverklaring van
de uitlevering van verzoeker ter zake van het in dat Haftbefehl onder 1. omschreven feit.
7. Overigens moet ik bekennen dat mij niet geheel duidelijk is geworden welke gedachte de steller van het middel heeft gevolgd. Daarin wordt betoogd dat het in dit verband gaat om de competentieverdeling tussen rechter en minister, en dat de Uitleveringswet met betrekking tot de door art. 15 EUV Pro verlangde toestemming van een aangezochte Staat geen uitdrukkelijke voorziening omtrent die bevoegdheidsverdeling kent. Vervolgens wordt opgemerkt dat in art. 12 Uw Pro, waarin het specialiteitsbeginsel tot uitdrukking komt, uitdrukkelijk is bepaald dat de minister van Justitie toestemming kan geven aan een verzoekende Staat om de opgeëiste persoon te vervolgen ter zake van feiten die vóór het tijdstip van de uitlevering zijn begaan.
8. Waarom de steller van het middel in art. 12 Uw Pro een aanknopingspunt ziet om te betogen dat
de Rechtbank met de hierboven weergegeven overweging het systeem van de Uitleveringswet
heeft miskend ontgaat mij. Mogelijk - maar dat valt uit het middel niet duidelijk op te maken -
heeft de steller ervan het oog gehad op het derde lid van art. 12 Uw Pro, waarin is geregeld dat
uitlevering door Nederland niet wordt toegestaan dan onder het algemeen beding dat de
opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van de minister van Justitie aan de
autoriteiten van een derde Staat ter beschikking zal worden gesteld ter zake van feiten die vóór
het tijdstip van de uitlevering door de uitgeleverde persoon zijn begaan. Deze bepaling ziet
derhalve op de door Nederland te geven toestemming voor verderlevering, en dat is het
spiegelbeeld van hetgeen in het onderhavige geval speelt:.
9. Hooguit zou men in het derde lid van art. 12 Uw Pro een aanknopingspunt kunnen vinden voor de
juistheid van het oordeel dat een eventuele weigering van de uitlevering die een ‘verderlevering’
van de opgeëiste persoon vormt is voorbehouden aan de minister. Aangezien hem de
bevoegdheid toekomt aan een verzoekende Staat toestemming voor verderlevering te verlenen,
ligt het voor de hand hem ook aan te merken als de autoriteit die bevoegd is vast te stellen of
de verlangde toestemming van de zijde van een aangezochte Staat aanwezig is.
10. Ook overigens ontgaat mij waarom de in dit middel bestreden overweging met het stelsel van de Uitleveringswet in strijd zou kunnen komen. In een zaak waarin het Benelux Uitleverings- en rechtshulpverdrag (BUV, Trb. 1962, 97 en Trb. 1974, 161) toepasselijk was heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het aan de minister van Justitie is voorbehouden om te beslissen of het bepaalde in art. 14, eerste lid, eerste volzin, BUV aan uitlevering in de weg staat: HR 1991, 825. In dezelfde zin was al beslist (ook in een uitleveringszaak die door het BUV werd beheerst) in HR 1990, 50. Art. 14, eerste lid, eerste volzin, BUV heeft dezelfde strekking als art. 15 EUV Pro. Het ligt niet voor de hand om ten aanzien van de op grond van art. 15 EUV Pro vereiste toestemming anders te oordelen dan is geschied in deze twee eerdere uitspraken van de Hoge Raad.
11. De in dit middel bestreden overweging getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zij is voorts naar behoren met redenen omkleed. Het middel faalt.
12. Het tweede middel bevat de klacht dat de Rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft
gegeven aan het wettelijke en verdragsrechtelijke ‘ne bis in idem beginsel’. In het bijzonder
wordt gesteld dat sprake is van schending van art. 9 Uw Pro en de art. 8 en Pro 9 EUV.
13. Het middel heeft betrekking op een verweer dat in de bestreden uitspraak als volgt is
samengevat en verworpen:
“De raadsman acht voorts het verzoek, voor zover het betrekking heeft op de feiten 3 en 4 van het Haftbefehl, ontoelaatbaar, aangezien de opgeëiste persoon voor dezelfde feiten reeds in Nederland wordt vervolgd.
Naar het oordeel van de rechter is dit eveneens geen grond de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren, aangezien de Nederlandse strafzaak nog niet inhoudelijk ter terechtzitting is behandeld, er dus geen onherroepelijk vonnis ligt en een eventuele straf nog niet tenuitvoergelegd is. De imperatieve weigeringsgrond van artikel 9 van Pro het toepasselijke verdrag (ne bis in idem) doet zich derhalve thans nog niet voor. De minister zal te zijner tijd bij het nemen van zijn beslissing over de uitlevering met deze Nederlandse strafzaak en haar afloop rekening moeten houden.
De rechtbank verwerpt derhalve ook dit verweer van de raadsman.”
14. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de Rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 8 EUV Pro en art. 9 Uw Pro. Uit art. 9, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid Uw vloeit evenwel voort dat het niet ter beoordeling van de rechter doch van de minister van Justitie staat te beoordelen of gebruik gemaakt dient te worden van de door art. 8 EUV Pro gegeven bevoegdheid de uitlevering te weigeren, vgl. HR NJ 1981, 318 en (ten aanzien van vergelijkbare bepalingen in andere verdragen) HR NJ 1983, 373 alsmede HR NJ 1985, 157. Ook het tweede middel faalt derhalve.
15. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De Rechtbank heeft de uitlevering “aan de Duitse autoriteiten” (deels) toelaatbaar verklaard. Dat is minder juist uitgedrukt. “Contracting party” in de zin van art. 1 van Pro het - op dit uitleveringsverzoek toepasselijke - Europees Uitleveringsverdrag is immers de Bondsrepubliek Duitsland. Toelaatbaar had daarom verklaard moeten worden de uitlevering “aan de Bondsrepubliek Duitsland”, vgl. HR NJ 2000, 364. Het dictum van de bestreden uitspraak zal in zoverre verbeterd kunnen worden gelezen.
16. De middelen falen en lenen zich voor toepassing van art. 101a RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,