ECLI:NL:PHR:2000:AA8827
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem waarin aan verdachte een gevangenisstraf van twaalf jaren werd opgelegd wegens doodslag en het verbergen van een lijk met het oogmerk het delict te verhullen.
De advocaat van verdachte stelde twee middelen van cassatie voor: het eerste betrof de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, het tweede de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van een van de feiten. De Hoge Raad oordeelde dat de overschrijding van ruim tien maanden in de cassatiefase gegrond was, maar gezien de geringe overschrijding kon de straf met 5% worden verminderd.
Het tweede middel werd verworpen omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven bij de beoordeling van de ontvankelijkheid, mede omdat in eerste aanleg geen bezwaar was gemaakt tegen de tenlastelegging en verdachte niet in zijn verdediging was geschaad.
Andere klachten van verdachte werden niet-ontvankelijk verklaard of waren niet van belang voor het bewijs. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en legde zelf een nieuwe straf op, terwijl het overige beroep werd verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf van twaalf jaren wordt met 5% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.