ECLI:NL:PHR:2000:AA8359

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R99/024HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 419 RvArt. 426b RvArt. 429 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieverzoek wegens niet-naleving vormvereisten

In deze zaak diende verzoekster een verzoekschrift in bij de Hoge Raad tegen een beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 9 december 1998. Het verzoekschrift werd per fax ingediend en was binnen de termijn van twee maanden ontvangen, wat op het eerste gezicht aan de termijnvereisten voldeed.

Echter, verzoekster heeft niet voldaan aan de aanvullende vereisten van artikel 426b lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zij heeft de bestreden uitspraak en de relevante stukken van het geding niet overgelegd. Hierdoor kon de Hoge Raad niet vaststellen of het cassatieberoep tijdig was ingesteld en of het middel een feitelijke grondslag had in de bestreden uitspraak en de gedingstukken.

Op grond van artikel 429 lid 2 Rv Pro in samenhang met artikel 419 lid 2 Rv Pro leidt dit tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Hoewel uit een brief van de Advocaat-Generaal bleek dat het de bedoeling was het cassatieberoep in te trekken, is dit niet daadwerkelijk gebeurd. De conclusie van de Advocaat-Generaal luidde dan ook dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van procesvereisten.

Conclusie

Rekest nr. R99/024HR
Mr. Moltmaker
Ouderlijk gezag
Parket, 14 juli 2000
Conclusie inzake
[verzoekster]
tegen
STICHTING BUREAU JEUGDZORG AMSTERDAM
Edelhoogachtbaar College,
1 Inleiding
1.1 In deze zaak is op de griffie een per fax verzonden verzoekschrift binnengekomen. Het verzoekschrift vermeldt te zijn gericht tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 9 december 1998. Het betreft hier een geval waarin voor indiening van het verzoekschrift geen andere vormvoorschriften gelden dan dat binnen een termijn van twee maanden een verzoekschrift ter griffie van de Hoge Raad moet zijn ingediend. Nu het verzoekschrift blijkens dag en uur van ontvangst is begonnen binnen te komen op 9 februari 1999 om 23.45 uur zou het binnen de geldende termijn ter griffie zijn ingediend (HR 16 februari 1996, NJ 1997,55 m.nt. HJS en HR 20 maart 1998, NJ 1998,548).
1.2 Verzoekster heeft echter niet voldaan aan de voorwaarde van art. 426b lid 1 Rv. Zij heeft evenmin de bestreden uitspraak en de stukken van het geding overgelegd, zodat de Hoge Raad noch kan vaststellen of het cassatieberoep tijdig is ingesteld, noch of het middel feitelijke grondslag vindt in de bestreden uitspraak en de gedingstukken (art. 429 lid 2 Rv Pro in verband met
art. 419 lid 2 Rv Pro), waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk is (HR 19 maart 1993, NJ 1993,303). Uit de brief van A-G Langemeijer van 29 november 1999 (griffiedossier) volgt weliswaar dat het in de bedoeling lag van (de advocaat van) verzoekster het cassatieberoep in te trekken, maar dat is niet gebeurd.
2 Conclusie
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster tot cassatie in het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G i.b.d.