ECLI:NL:PHR:2000:AA7912
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling draagkracht bij wijziging kinderalimentatie na WW-uitkering
In deze zaak gaat het om een vader die na zijn WW-uitkering verzocht om de kinderalimentatie voor zijn twee minderjarige kinderen op nihil te stellen. De rechtbank kende dit verzoek toe, maar het hof vernietigde deze beschikking omdat de vader onvoldoende inzicht had gegeven in zijn en de financiële situatie van zijn nieuwe partner, ondanks dat hij een WW-uitkering ontving.
De moeder betwistte de draagkracht van de vader niet alleen op basis van zijn WW-uitkering, maar ook vanwege aanwijzingen dat de nieuwe partner mogelijk eigen inkomsten had en het uitgavenpatroon van de vader. De vader leverde een bankafschrift aan waaruit bleek dat de WW-uitkering op de rekening van zijn nieuwe partner werd gestort, maar gaf onvoldoende toelichting op andere financiële aspecten zoals het ontbreken van huursubsidie en het gebruik van een doorlopend krediet.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht vond dat de vader onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn draagkracht nihil was, mede door het ontbreken van voldoende informatie over zijn en de financiële situatie van zijn nieuwe partner. De klacht dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld over de WW-uitkering werd verworpen omdat de slotsom van het hof niet alleen op dat punt was gebaseerd. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en het verzoek tot nihilstelling van kinderalimentatie afgewezen.