ECLI:NL:PHR:2000:AA7897
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over onteigeningsschade en proceskosten bij bedrijfsruimtehuur
De zaak betreft een onteigeningsprocedure waarbij de gemeente ’s-Gravenhage een bedrijfsruimte met bovenwoning onteigende. De eigenaresse was [betrokkene A], die overeenstemming bereikte over schadeloosstelling. De bedrijfsruimte was verhuurd aan Horst Model Engineering BV, maar de huur werd feitelijk via Covas BV betaald, die de ruimte weer onderverhuurde aan [verweerder 3], exploitant van een snackbar.
De Rechtbank wees Covas aan als derde-belanghebbende huurder, en [verweerder 3] als onderhuurder. De gemeente stelde in cassatie onder meer dat Horst niet als partij was betrokken, dat Covas ten onrechte als huurder was aangemerkt, en dat de schadeloosstelling onjuist was vastgesteld, met name de vergoeding voor goodwill, verbouwingskosten en het niet verrekenen van lagere toekomstige huur.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep ontvankelijk was, ook ten aanzien van Horst, ondanks een formeel verzuim in de cassatieverklaring. De proceskosten werden terecht aan de gemeente opgelegd, omdat geen sprake was van nalatigheid door Horst of Covas. De Rechtbank had terecht Covas als huurder aangemerkt, gelet op de feitelijke huurbetalingen en stilzwijgende instemming.
Ten aanzien van de schadeloosstelling bevestigde de Hoge Raad het recht van de onderhuurder op vergoeding van verplaatsingskosten, inclusief niet-uitgebate investeringen. Wel werd het oordeel van de Rechtbank over de hoogte van de goodwillvergoeding voor de vervangende bedrijfsruimte vernietigd wegens onvoldoende motivering, mede gezien het verwachte strengere kansspelautomatenbeleid. De overige bezwaren over verbouwingskosten en voordeelstoerekening werden verworpen. De zaak werd terugverwezen voor nadere beoordeling van de goodwillvergoeding.
Uitkomst: Het vonnis van de Rechtbank wordt vernietigd voor de hoogte van de goodwillvergoeding en terugverwezen voor nadere beoordeling; overige middelen worden verworpen.