ECLI:NL:PHR:2000:AA7786

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 oktober 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
112918
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 onder B OpiumwetArt. 3 lid 1 onder B OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meermalige verkoop van handelshoeveelheden hasj

Verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf wegens het meermalig verkopen van handelshoeveelheden hasj. Namens verdachte werden twee cassatiemiddelen ingediend. Het eerste middel betrof de klacht dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte kwalificeerde als handelen in strijd met artikel 2 lid 1 onder Pro B van de Opiumwet, terwijl het eigenlijk ging om handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder Pro B van de Opiumwet.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof inderdaad de kwalificatie verkeerd had toegepast en verbeterde deze kwalificatie naar het juiste wetsartikel. Tevens werd de toepasselijke wetsartikelen aangepast van artikel 2 en Pro 10 naar artikel 3 en Pro 11 van de Opiumwet. Het tweede middel betrof de klacht dat het hof ten onrechte meermalig handelen had bewezen verklaard, terwijl het slechts één partij van 1000 kilo betrof. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht meermalig handelen aannam, omdat de partij in twee delen was verkocht aan verschillende personen.

De Hoge Raad vernietigde het vonnis voor zover het de kwalificatie betrof en wees de zaak terug met de verbeterde kwalificatie, terwijl het overige beroep werd verworpen. De straf blijft gehandhaafd onder de juiste wettelijke kwalificatie.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de kwalificatie en verbetert deze naar meermalig handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder B Opiumwet, bevestigt de veroordeling tot twee jaar gevangenisstraf.

Conclusie

Nr.112.918
Mr Fokkens
Zitting 9 mei 2000
Conclusie inzake: [verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verdachte is door het gerechtshof te Amsterdam wegens het verkopen van
has, meermalen gepleegd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar.
2. Namens verdachte heeft mr J.I.M.G. Jahae, advocaat te Amsterdam, twee
middelen van cassatie ingediend.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het bewezenverklaarde ten
onrechte heeft gekwalificeerd als een handelen in strijd met het in artikel 2 lid Pro 1
onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het een handelen in strijd met
artikel 3 lid 1 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod oplevert.
4. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte ”in de periode van 1 april 1994 tot
en met 9 december 1996 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht
handelshoeveelheden hashish.”
5. Inderdaad heeft het hof de bewezenverklaring ten onrechte gekwalificeerd als
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 lid Pro 1, onder B van de Opiumwet
gegeven verbod. Het gaat hier immers om handelen in strijd met art. 3 lid 1 onder Pro
B van de Opiumwet. De Hoge Raad kan de kwalificatie verbeteren. Hetzelfde geldt
voor de als toepasselijke wetsartikelen genoemde bepalingen uit de Opiumwet: dit
moeten de artikelen 3 en 11 zijn in plaats van de genoemde artikelen 2 en 10,
waarbij artikel 3 overbodig Pro is nu deze bepaling al in de kwalificatie wordt vermeld.
6. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte bewezen heeft
verklaard dat het delict meermalen is gepleegd. Van meer dan één maal verkoop
van handelshoeveelheden hashish zou geen sprake zijn, nu uit de bewijsmiddelen
zou volgen dat het in kwestie één partij van 1000 kilo betrof. Dat die partij niet in
één keer is geleverd en betaald, zou daaraan niet afdoen.
7. Uit de bewijsmiddelen, met name de verklaringen van [getuige 1] onder 2a en
2c, kan worden afgeleid dat verdachte 200 kilo hashish heeft verkocht aan ene
[betrokkene A] en 800 kilo hashish heeft verkocht aan [getuige 1]. Uitgaande van
die vaststelling getuigt het oordeel van het hof dat verdachte meermalen
handelshoeveelheden hashish heeft verkocht niet van een verkeerde
rechtsopvatting. Het oordeel is niet onbegrijpelijk zodat het middel faalt. De Hoge
Raad kan volstaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering.
Ik concludeer dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd voor zover het betreft de
kwalificatie van het bewezenverklaarde en voor zover onder de toepasselijk
verklaarde wetsartikelen de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zijn opgenomen,
dat de kwalificatie wordt verbeterd door het bewezenverklaarde aan te merken als
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 lid 1 onder Pro B van de Opiumwet
gegeven verbod, meermalen gepleegd” en dat artikel 11 van Pro de Opiumwet wordt
vermeld bij de overige toepasselijke wetsartikelen, met verwerping van het beroep
voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,