ECLI:NL:PHR:2000:AA7676
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid voorlopige machtiging op grond van Wet Bopz ondanks verblijfssituatie betrokkene
Op 10 mei 2000 werd door de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank een voorlopige machtiging verleent voor opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). Betrokkene was eerder vrijwillig opgenomen, maar verbleef mogelijk feitelijk thuis in mei 2000 vanwege conflicten over medicatie en het behandelplan.
De rechtbank verleende op 29 mei 2000 de machtiging voor vier maanden. Betrokkene stelde cassatieberoep in met als hoofdklacht dat onduidelijk was welke geneeskundige verklaring de rechtbank als leidend had genomen, gezien het bestaan van twee verklaringen: een van een onafhankelijke psychiater en een van de waarnemend-eerste geneeskundige van het ziekenhuis.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank beide verklaringen had betrokken en dat het moment van de vordering bepalend was voor welke verklaring vereist was. Verder werd geoordeeld dat het ontbreken van een afschrift van de beschikking tot mentorschap niet leidde tot niet-ontvankelijkheid, aangezien de mentor (echtgenote) was gehoord. Ook werd het motief van de rechtbank om de machtiging te verlenen voldoende gemotiveerd geacht.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de voorlopige machtiging geldig bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de voorlopige machtiging tot opname in het psychiatrisch ziekenhuis wordt verworpen.