ECLI:NL:PHR:2000:AA7546
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad prejudiciële vragen over toerekening persoonsgebonden fiscale tegemoetkomingen bij grensoverschrijdende arbeid binnen de EU
De zaak betreft een inwoner van Nederland die in 1994 inkomen uit arbeid in meerdere EU-lidstaten genoot en geconfronteerd werd met een systeem van voorkoming van dubbele belasting waarbij een evenredig deel van zijn persoonsgebonden fiscale tegemoetkomingen (zoals belastingvrije som en alimentatiebetalingen) werd toegerekend aan het buitenlandse inkomen. Hierdoor verloor hij een substantieel deel van deze tegemoetkomingen bij de berekening van de belastingreductie in Nederland, zonder dat hij daarvoor compensatie kreeg in de werkstaten.
De belanghebbende betwist de verenigbaarheid van deze systematiek met artikel 48 EG Pro-Verdrag (thans artikel 39) en artikel 7 van Pro Verordening 1612/68, die het vrije verkeer van werknemers binnen de EU waarborgen. De staatssecretaris verdedigt het Nederlandse systeem en verwijst naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie, met name het Gilly-arrest, als acte éclairé.
De conclusie analyseert uitgebreid het probleem van de pro rata toerekening van persoonsgebonden aftrekposten en de daarmee gepaard gaande dubbele belasting en progressievoordelen. Het constateert dat het huidige systeem leidt tot een oneerlijke situatie voor grensoverschrijdende werknemers die niet voldoen aan de Schumacker-grens (nagenoeg geheel inkomen in één werkstaat). De conclusie pleit ervoor dat de werkstaat pro rata fiscale tegemoetkomingen moet verlenen aan niet-inwoners en tegelijkertijd een progressievoorbehoud moet toepassen, zodat het nadeel en voordeel in dezelfde jurisdictie worden opgeheven.
De conclusie wijst erop dat het Hof van Justitie in eerdere arresten (Schumacker, Gilly, Gschwind) het probleem niet adequaat heeft opgelost en dat het huidige Nederlandse systeem mogelijk strijdig is met EU-recht. Daarom beveelt de conclusie aan prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie om duidelijkheid te verkrijgen over de toerekening van persoonsgebonden fiscale tegemoetkomingen en de verantwoordelijkheden van woon- en werkstaten binnen de EU.
Uitkomst: De Hoge Raad legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie over de toerekening van persoonsgebonden fiscale tegemoetkomingen bij grensoverschrijdende arbeid binnen de EU.