ECLI:NL:PHR:2000:AA6336

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/072HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 295 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van verstek wegens te laat cassatieberoep in kort geding

In deze zaak is op 8 februari 2000 cassatieberoep ingesteld tegen een kort geding arrest van het Hof Leeuwarden van 22 december 1999. Verweerders zijn niet verschenen. De Hoge Raad constateert dat het beroep te laat is ingesteld, aangezien de termijn van zes weken volgens artikel 295 lid 4 Rv Pro was verstreken.

De gemachtigde van eiser betoogde dat niet-ontvankelijkverklaring niet op zijn plaats was omdat eiser de zaak pas ongeveer een dag na het verstrijken van de termijn had ontvangen en daarom dacht dat de termijn op 9 februari zou aflopen. De Hoge Raad oordeelt dat eiser had moeten begrijpen dat het beroep te laat was en dat hij dit in de dagvaarding had moeten vermelden zodat de wederpartij hierop had kunnen reageren. Het ontbreken van een dergelijke vermelding maakt het onredelijk om aan het relaas doorslaggevende betekenis te hechten.

Daarnaast zijn de stellingen onvoldoende nauwkeurig om een verlenging van de termijn te rechtvaardigen. Ook een brief van eiser zelf, waarin wordt verwezen naar artikel 6 EVRM Pro en een gesprek met zijn advocaat, leidt niet tot een ander oordeel. De Hoge Raad benadrukt dat fouten van advocaten niet altijd kunnen worden hersteld en dat dit in het belang is van een ordelijk procesverloop.

Daarom wordt het verstek geweigerd en wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn en het verstek wordt geweigerd.

Conclusie

Rolnr. C00/072
Conclusie mr Spier
inzake
[eiser]
tegen
[verweerders]
Edelhoogachtbaar College,
1. In deze zaak is op 8 februari 2000 cassatieberoep ingesteld tegen een kort geding arrest van het Hof Leeuwarden van 22 december 1999. Verweerders zijn niet verschenen.
2. Het beroep is te laat ingesteld, immers na ommekomst van de termijn van zes weken (art. 295 lid 4 Rv Pro.).
3. Mr J. Groen heeft bij fax van 23 maart 2000 betoogd dat "niet-ontvankelijkverklaring niet op zijn plaats is" omdat [eiser]
a. ervan uitging dat het arrest op 12 januari 2000 zou worden uitgesproken zodat de cassatietermijn eerst op 23 februari 2000 zou aflopen;
b. "toen" naar het buitenland is vertrokken alwaar hij "zonder enig probleem geruime tijd" kon verblijven.
Mr Groen schrijft dat hij de zaak "ongeveer een dag" na die waarop de termijn verstreek heeft ontvangen. Omdat [eiser] hem zulks had meegedeeld was Z.E.G. ervan uitgegaan dat de termijn eerst op 9 februari verstreek.
4. Nu [eiser] had behoren te begrijpen dat op grond van de vigerende rechtsregels het beroep te laat was ingesteld, had hij een exposé als onder 3 vermeld in de dagvaarding moeten opnemen. De wederpartij had er dan op kunnen reageren. Zonder zodanige vermelding kon Ockels redelijkerwijs aannemen dat nodeloos kosten zouden worden gemaakt door een advocaat in te schakelen. Het zou bij deze stand van zaken in strijd met een goede procesorde zijn om doorslaggevende betekenis toe te kennen aan bedoeld relaas.
5. De onder 3 verwoorde stellingen kunnen [eiser] bovendien niet baten. Reeds niet omdat hij er rekening mee had moeten houden dat het arrest bij vervroeging zou worden uitgesproken. Dat geldt eens te meer voor een kort geding procedure.
6. Hier komt bij dat de onder 3 weergegeven stellingen onvoldoende nauwkeurig zijn om een ander oordeel te kunnen dragen, gesteld al dat er aanleiding zou kunnen bestaan om de termijn te verlengen. Wanneer [eiser] - die, naar mr Groen klaarblijkelijk heeft aangenomen, van de termijnenregeling op de hoogte is - met vakantie is gegaan en wanneer hij is teruggekomen komt niet uit de verf.
7. Inmiddels werd ook nog een brief van "Maître Henri" (de naam waarmee [eiser] zich tooit) ontvangen. Uw Raad kan op deze brief (die ik volledigheidshalve aan het dossier toevoeg) geen acht slaan omdat deze van een partij zelf afkomstig is. Zou daaraan nochtans aandacht worden geschonken dan zou dat niet tot een andere uitkomst leiden. Ook deze brief laat in het vage wanneer [eiser] met vakantie is gegaan en wanneer hij is teruggekeerd. [eiser] maakt gewag van een bespreking die hij op 3 februari 2000 met mr Groen zou hebben gehad over het "zogenaamde arrest" van het Hof. Sedertdien zijn verschillende dagen verstreken voordat de cassatiedagvaarding is uitgebracht.
8. Volledigheidshalve zij nog vermeld dat art. 6 EVRM Pro, waarop de onder 7 genoemde brief doelt, niet meebrengt dat de rechter partijen de gelegenheid moet bieden om beweerdelijk door hun advocaten gemaakte fouten (zoals het instellen van beroep tegen de verkeerde uitspraken) te herstellen. De door [eiser] genoemde goede procesorde en rechtszekerheid gelden voor beide partijen (en andere betrokkenen). Of zo'n fout werkelijk is gemaakt dan wel wordt voorgewend (bijvoorbeeld om extra tijd te krijgen om middelen te formuleren) onttrekt zich aan het oordeel van de rechter en is ook voor de wederpartij moeilijk controleerbaar. Discussies over deze en dergelijke vragen staan zo haaks op een ordelijk en vlot procesverloop dat daarvoor de prijs zal moeten worden betaald dat in voorkomende gevallen deze fouten (als daarvan sprake is) niet kunnen worden gerepareerd.
9. Het verstek moet worden geweigerd.1
Conclusie
Deze conclusie strekt tot weigering van het verstek.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
HR 22 december 1995, NJ 1996, 314 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Hartkamp onder 6.