ECLI:NL:PHR:2000:AA6082
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldboete wegens wildplakken zonder toestemming en wijst beroep op vrijheid van meningsuiting af
De kantonrechter te Eindhoven veroordeelde de verdachte op 6 januari 1998 tot een geldboete wegens wildplakken op onroerend goed zonder toestemming van de rechthebbende. Tegen dit vonnis werd cassatie ingesteld met twee middelen: het ontbreken van een overeenkomstig art. 395 Sv Pro uitgewerkt vonnis en een proces-verbaal gebrek, en de strijdigheid van het gemeentelijke verbod met de vrijheid van meningsuiting zoals gewaarborgd in art. 7 Grondwet Pro.
De Hoge Raad constateerde dat het vonnis alsnog overeenkomstig art. 395 Sv Pro was uitgewerkt, waardoor het eerste middel faalt. Het proces-verbaal vermeldde niet dat de verdachte een verzoek deed om een hogere geldboete op te leggen, zodat het tweede onderdeel van het eerste middel eveneens faalt.
Het tweede middel betrof de grondwettelijkheid van het verbod op wildplakken in de APV Eindhoven. De verdachte stelde dat het verbod in strijd was met de vrijheid van meningsuiting. De Hoge Raad oordeelde dat het verbod slechts een beperkt verbod is dat wildplakken zonder toestemming van de rechthebbende verbiedt en geen algemeen verbod op het aanbrengen van drukwerken. Dit is niet in strijd met art. 7 Grondwet Pro.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de geldboete wegens wildplakken zonder toestemming. Er werden geen ambtshalve gronden voor vernietiging aangetroffen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de geldboete wegens wildplakken zonder toestemming blijft in stand.