ECLI:NL:PHR:2000:AA5870
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verhouding tussen kort geding en bodemprocedure bij toetsing Wet herstructurering varkenshouderij aan EVRM
In deze zaak staat centraal de verhouding tussen de kortgedingrechter en de bodemrechter bij de beoordeling van de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv) en de vraag of bepaalde bepalingen van deze wet in strijd zijn met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De Vereniging Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV) en anderen hadden de Staat gedagvaard wegens het ontbreken van een adequate schadevergoedingsregeling voor eigenaren van mestproductierechten, die volgens hen leidde tot onrechtmatige ontneming van eigendom. De rechtbank oordeelde dat de Whv in strijd was met het EVRM vanwege het ontbreken van een schadeloosstelling en legde een voorziening op in kort geding om bepaalde hoofdstukken van de Whv buiten toepassing te laten totdat in een adequate regeling was voorzien.
De Staat stelde zich op het standpunt dat de kortgedingrechter niet zonder meer mocht afwijken van de bodemrechter en dat de Whv niet onverbindend verklaard mocht worden zonder onmiskenbare onverbindendheid. De Hoge Raad bevestigde de terughoudende taak van de kortgedingrechter, die zich in beginsel moet richten naar het oordeel van de bodemrechter, tenzij sprake is van nieuwe feiten of een kennelijke misslag. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bekrachtigde het oordeel dat de Whv zonder adequate schadeloosstelling in strijd is met het EVRM, waarbij de belangenafweging door de kortgedingrechter juist was toegepast.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staat wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.