ECLI:NL:PHR:2000:AA5618
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over gewetensbezwaar tegen militaire belastingbijdrage en toepassing mensenrechtenverdragen
De belanghebbende, geboren in 1943, maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting over 1993 omdat hij niet wilde bijdragen aan militaire defensie, geschat op 9% van de aanslag. Dit bezwaar werd door de Inspecteur en het Hof afgewezen. Het Hof oordeelde dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) geen bindend verdragsrecht is en dat toetsing van nationale wetgeving aan algemene rechtsbeginselen alleen mogelijk is als deze zijn neergelegd in bindende verdragsbepalingen.
De belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat art. 18 UVRM Pro geen bindend recht is en dat ook art. 9 EVRM Pro en art. 18 IVBPR Pro waren geschonden. De Hoge Raad overwoog uitgebreid jurisprudentie en interpretaties van het Europees Hof en het Comité voor de Rechten van de Mens, waarin werd bevestigd dat het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst niet strekt tot het recht om belastingbetaling te weigeren vanwege militaire bestedingen.
Verder werd het onderscheid tussen gewetensbezwaar tegen militaire dienstplicht en tegen financiële bijdragen aan defensie toegelicht. De wetgever mocht deze verschillend behandelen, omdat militaire dienstplicht een persoonlijke verplichting is, terwijl belastingbetaling een algemene, neutrale verplichting betreft zonder directe koppeling aan individuele voordelen.
De Hoge Raad concludeert dat de middelen ongegrond zijn en verwerpt het beroep, waarmee de aanslag onverminderd blijft gelden.
Uitkomst: Het beroep van de belanghebbende wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting blijft onverminderd van kracht.