ECLI:NL:PHR:2000:AA5595

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C98/290HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 RvArt. 157a RvArt. 1639aa BW (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid en verwijzing in vrijwaringsprocedure bij koopovereenkomst tuinbouwbedrijf

In deze zaak gaat het om een koopovereenkomst van grond en een kas tussen verkoper en koper, waarbij geen personeelsovername plaatsvond. Een oud-werknemer van verkoper vorderde loonbetaling van koper, die vervolgens verkoper in vrijwaring wilde oproepen. De kantonrechter verklaarde koper niet-ontvankelijk en veroordeelde hem in de kosten van de vrijwaringsprocedure. Koper stelde hoger beroep in tegen de kostenveroordeling. De rechtbank oordeelde dat de kantonrechter onbevoegd was en dat de vordering zich niet leende voor een vrijwaringsprocedure, waardoor geen verwijzing naar een andere rechter volgde.

De Hoge Raad stelt dat de kantonrechter inderdaad onbevoegd was en dat de rechtbank de zaak op grond van artikel 157a lid 1 Rv had moeten verwijzen naar het gerechtshof. De rechtbank heeft onjuist geoordeeld dat de vordering zich niet leende voor vrijwaring, aangezien de hoofdzaak tot de absolute competentie van een andere rechter behoorde. Desondanks concludeert de Hoge Raad dat koper geen belang heeft bij vernietiging en verwijzing, omdat in hoger beroep alleen de kostenveroordeling aan de orde was en het hof geen andere beslissing zou kunnen nemen.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de proceskostenveroordeling van koper. De zaak benadrukt de juiste toepassing van bevoegdheidsregels en verwijzingsprocedures in vrijwaringszaken binnen het civiele procesrecht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de proceskostenveroordeling van koper wordt bevestigd.

Conclusie

C98/290 HR mr Wesseling-van Gent
Zitting: 28 januari 2000 Conclusie inzake:
[koper]
tegen
[verkoper]
Edelhoogachtbaar College,
In deze zaak is de vraag aan de orde of de rechtbank, die van oordeel was dat de kantonrechter onbevoegd was van de vrijwaringszaak kennis te nemen, de zaak in de stand van hoger beroep had moeten verwijzen naar het gerechtshof.
1. Feiten en procesverloop1. Feiten en procesverloop
1. Feiten en procesverloop
1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1
(a) [Verkoper] en [koper] hebben in maart 1995 een koopovereenkomst gesloten ter zake van een aantal percelen grond met daarop onder meer een kas. [Verkoper] oefende daarop het tuinbouwbedrijf uit.
Artikel 14 van Pro de koopovereenkomst houdt in dat [koper] en [verkoper] verklaren dat geen overname plaatsvindt van personeel en dat [verkoper] [koper] vrijwaart voor alle gevolgen die eventueel zouden kunnen voortvloeien uit het bepaalde in de artikelen 1639aa BW (oud) ev.
(c) [Oud-werknemer verkoper], tot 1 mei 1995 in dienst van [verkoper], heeft van [koper] (door)betaling van loon gevorderd. [Koper] heeft de kantonrechter vervolgens verzocht om [verkoper] in vrijwaring te mogen oproepen. De kantonrechter heeft de dagvaarding van [verkoper] in vrijwaring toegestaan.
1.2. [Koper] heeft in de vrijwaringszaak gevorderd dat [verkoper] gelijktijdig met de uitspraak in de hoofdzaak zal worden veroordeeld om aan [koper] te betalen al datgene waartoe [koper] als gedaagde in de hoofdzaak ten behoeve van [oud-werknemer verkoper] mocht worden veroordeeld.
1.3. De kantonrechter heeft [koper] bij vonnis van 27 juni 1996 niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot vrijwaring en daartoe overwogen dat [koper] geen belang meer heeft bij zijn vordering, aangezien de vorderingen van [oud-werknemer verkoper] tegen [koper] zijn afgewezen en [oud-werknemer verkoper] in de kosten van die procedure is veroordeeld. Voorts heeft de kantonrechter [koper] in de kosten van het vrijwaringsgeding veroordeeld op grond van de overweging dat uit de afwijzing van de vordering van [oud-werknemer verkoper] volgt dat [koper] [verkoper] nodeloos in de procedure heeft betrokken.
1.4. [Koper] heeft van het vonnis van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft hij één grief aangevoerd, die is gericht tegen de kostenveroordeling in de vrijwaringsprocedure.
1.5. De rechtbank heeft bij vonnis van 15 april 1998 het vonnis van de kantonrechter (gedeeltelijk) vernietigd en voor recht verklaard dat deze onbevoegd was van de vordering in vrijwaring kennis te nemen en [koper] in de proceskosten in hoger beroep veroordeeld.
1.6. [Koper] heeft van het vonnis van de rechtbank tijdig cassatieberoep ingesteld. [verkoper] heeft in cassatie geen verweer gevoerd. [koper] heeft zijn standpunt nog schriftelijk toegelicht.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel bevat vier onderdelen.
De onderdelen 1 en 2 zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de zaak niet naar een andere rechter dient te worden verwezen, aangezien de vordering van [koper] “zich niet leende voor een procedure in vrijwaring”.
2.2 De rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen - en ook het middel gaat hiervan terecht uit - dat de kantonrechter onbevoegd was om van de vordering in vrijwaring kennis te nemen, nu, gelet op de door [koper] in het vrijwaringsgeding ingestelde vordering, de kantonrechter noch uit hoofde van het onderwerp van het geschil noch uit hoofde van het beloop van de vordering bevoegd was. Derhalve was in eerste aanleg de rechtbank bevoegd. In een dergelijk geval dient de rechtbank de zaak op de voet van art. 157a lid 1 Rv. in de stand van hoger beroep te verwijzen naar het hof2.
2.3 Verwijzing naar het gerechtshof vindt slechts dan niet plaats “wanneer het gaat om een nieuwe grondslag voor de vordering, die als gevolg van een vermeerdering van eis of een aanvulling van feitelijke stellingen in hoger beroep voor het eerst aan de orde is gekomen en ter zake waarvan de rechter in eerste aanleg wegens het onderwerp van het geschil onbevoegd zou zijn geweest” (HR 30 januari 1976, NJ 1977, 106). Dit geval doet zich hier niet voor.
2.4 De rechtbank heeft ten aanzien van de niet-verwijzing overwogen:
“Nu, gelet op het vorenstaande, de vordering van [koper] zich niet leende voor een procedure in vrijwaring, zal geen verwijzing naar een andere rechter volgen.”
Het vorenstaande luidt:
“Nu er hier geen sprake is van een vordering -betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomst - en evenmin van een vordering die minder dan f 5.000,- beloopt, moet de gevolgtrekking zijn dat de kantonrechter onbevoegd was van de vordering kennis te nemen. De kantonrechter had - gegeven zijn beslissing in het incident tussen [koper] en partij [oud-werknemer verkoper] voornoemd, die in de onderhavige procedure niet aan de beoordeling van de rechtbank is onderworpen - dienovereenkomstig moeten beslissen. Nu zulks niet is gebeurd dient het vonnis, waarvan beroep te worden vernietigd met beslissing als hierna in het dictum vermeld.”
2.5 De rechtbank heeft derhalve geoordeeld dat de vordering zich niet leende voor een procedure in vrijwaring, omdat de hoofdzaak tot de absolute competentie van een andere rechter behoorde dan de vrijwaring. Dit standpunt wordt in de oudere literatuur verdedigd3, waarbij volgens Stein4 de Hoge Raad zich heeft aangesloten. Ik deel deze opvatting van Stein niet. M.i. is in het arrest van 4 december 1981 niet meer beslist dan dat het bepaalde in art. 74 Rv Pro. de regels van de absolute competentie niet doorbreekt. Het oordeel van de rechtbank is derhalve onjuist. Ook in dit geval had verwijzing op de voet van art. 157a lid 1 Rv. dienen te volgen5, hetgeen Uw Raad recent in een vergelijkbaar geval tot uitgangspunt heeft genomen6.
2.6 Uit het bovenstaande volgt dat de onderdelen 1 en 2 van het cassatiemiddel terecht zijn voorgesteld.
2.7 De vraag is vervolgens of [koper] belang heeft bij vernietiging van het vonnis van de rechtbank en verwijzing naar het hof, gelet op de omvang van het appel. In het cassatiemiddel en de schriftelijke toelichting daarop gaat [koper] er van uit dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van zijn vordering in de vrijwaringszaak als zodanig. Het petitum van de appeldagvaarding en de conclusie in de conclusie van eis in hoger beroep luiden ook zodanig: vernietiging van het vonnis van de kantonrechter en toewijzing alsnog van de vordering van appellant. [Koper] heeft zijn grief echter gericht tegen de kostenveroordeling in rechtsoverweging 4.3 van het vonnis van de kantonrechter en niet tegen rechtsoverweging 4.2. van het vonnis, waarin de kantonrechter overweegt dat [koper] wegens gebrek aan belang (door afwijzing van de vordering van [oud-werknemer verkoper] in de hoofdzaak) in zijn vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard. In appel was derhalve slechts de proceskostenveroordeling door de kantonrechter in de vrijwaringszaak aan de orde7.
2.8 De veroordeling door de kantonrechter van [koper] in de proceskosten in de vrijwaringsprocedure, omdat de vordering van [oud-werknemer verkoper] in de hoofdzaak was afgewezen, is in overstemming met jurisprudentie en huidige opvattingen in de literatuur8. Een mogelijkheid is dat de eiser in de hoofdzaak ook in de proceskosten van de eiser in de vrijwaringszaak wordt veroordeeld, indien de vordering in de hoofdzaak wordt afgewezen. Dit geldt met name wanneer de gewaarborgde er voldoende belang bij had om de waarborg in vrijwaring op te roepen9. Daarvoor is in dit stadium echter geen plaats meer, aangezien de hoofdzaak inmiddels definitief is beslist10.
2.9 Doordat de rechtbank de grief tegen het vonnis van de kantonrechter onbesproken heeft gelaten, kan niet gezegd worden dat de zaak in twee feitelijke instanties is behandeld11, hoewel de rechtbank het vonnis van de kantonrechter met betrekking tot de kostenveroordeling in het dictum van haar vonnis heeft bekrachtigd. Ik meen echter dat het hof waarnaar verwezen zou moeten worden geen andere beslissing zou kunnen nemen dan bekrachtiging van de proceskostenveroordeling. Gelet op de omvang van het door [koper] in het vrijwaringsgeding ingestelde appel komt het hof immers niet toe aan de vraag of de vrijwaring slaagt en daarmee wie de in het ongelijk gestelde partij in de vrijwaring is. [Koper] heeft derhalve geen belang bij vernietiging en verwijzing.
2.10 De onderdelen 3 en 4 richten zich tegen de volgende overweging van de rechtbank:
“De kantonrechter had - gegeven zijn beslissing in het incident tussen [koper] en partij [oud-werknemer verkoper] voornoemd, die in de onderhavig procedure niet aan de beoordeling van de rechtbank is onderworpen - dienovereenkomstig moeten beslissen.”
2.11 In onderdeel 3a wordt betoogd dat de rechtbank de vordering in de vrijwaringszaak niet zelfstandig zou hebben beoordeeld, maar betekenis heeft toegekend aan het oordeel van de kantonrechter in het incident tot vrijwaring.
Dit onderdeel mist feitelijke grondslag. De strekking van de desbetreffende overweging van de rechtbank (zie 2.4 hiervoor) is dat de kantonrechter, gegeven de aard van de vordering, zijn onbevoegdheid had moeten uitspreken.
2.12 Onderdeel 3b klaagt erover dat de rechtbank heeft miskend dat de appellabiliteit van het vonnis van de kantonrechter in de vrijwaringszaak niet afhankelijk is van de appellabiliteit van de uitspraak van de kantonrechter in de hoofdzaak. Ook dit onderdeel mist feitelijke grondslag, aangezien dit betoog niet in het vonnis van de rechtbank kan worden gelezen.
2.13 Onderdeel 4 van het cassatiemiddel ten slotte houdt in dat de rechtbank heeft miskend dat het oordeel van de kantonrechter dat [koper] voldoende belang heeft om [verkoper] in vrijwaring op te roepen, in de hoofdzaak onbestreden is gebleven, zodat de rechtbank in de vrijwaringszaak niet kon aannemen dat [koper] onvoldoende belang had bij de oproeping van [verkoper] in vrijwaring. Dit onderdeel faalt eveneens bij gebrek aan feitelijke grondslag, aangezien de rechtbank haar oordeel niet heeft gebaseerd op de overweging dat [koper] onvoldoende belang had om [verkoper] in vrijwaring op te roepen,
maar op de overweging dat zijn vordering zich niet leende voor een procedure in vrijwaring.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie onder meer het vonnis van de kantonrechter te Delft van 27 juni 1996 onder 1 en het vonnis van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 15 april 1998 onder 1.
2 HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173 (HJS); zie ook HR 16 december 1960, NJ 1961, 42 (DJV) en HR 1 december 1961, NJ 1962, 79; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht (1998), nr. 149; Burgerlijke Rechtsvordering, Wesseling-van Gent, art. 157a, aant. 5 en 6. Uit de hiervoor genoemde arresten volgt tevens dat [koper] tegen het oordeel van de rechtbank terecht cassatie heeft ingesteld (en geen hoger beroep).
3Zie b.v. Star Busmann, Hoofdstukken van Burgerlijke Rechtsvordering, 1955, nr. 334; idem in de derde druk uit 1972; Hugenholtz/Heemskerk, 15e druk, 1988, nr.145, die dit standpunt echter vanaf de 16e druk (1991) heeft verlaten, zie aldaar nr. 142.
4 In zijn annotatie onder HR 4 december 1981, NJ 1983, 757; Zie ook Stein, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 9e druk, 1992, blz. 142.
5 Zie ook Burgerlijke Rechtsvordering, Asser, art. 74, aant. 1 en rb Maastricht 10 augustus 1989, NJ 1990, 555.
6 HR 17 december 1999, RvdW 2000, 4C.
7 Snijders/Wendels, Civiel appel, 1999, nr. 242; Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, nr. 16-24.
8 HR 29 september 1989, NJ 1990, 350 (JBMV); Snijders e.a., Burgerlijk procesrecht, nr. 181; Burgerlijke Rechtsvordering, Asser, art. 68, aant. 4 wijst op onbillijkheid van deze regel. Zie voor oudere (verdeelde) literatuur de verwijzingen bij Star Busmann, Hoofdstukken van Burgerlijke Rechtsvordering, nr. 333.
9 HR 26 maart 1993, NJ 1993, 613; zie ook HR 21 november 1952, NJ 1953, 50 (PhANH).
10 De rechtbank heeft bij eindvonnis van 28 april 1999 het vonnis van de kantonrechter van 27 juni 1997 vernietigd en de vordering van [oud-werknemer verkoper] toegewezen. [koper] heeft in het hoger beroep van de hoofdzaak niet opnieuw een vrijwaringsincident opgeworpen. Van de hoofdzaak is geen cassatie ingesteld.
11 Daarin verschilt deze zaak van HR 26 juni 1959, NJ 1959, 515, HR 15 mei 1992, NJ 1993, 201 (HJS) en HR 17 december 1999, RvdW 2000, 4C.