ECLI:NL:PHR:2000:AA5526
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling borgtocht door echtgenoot in relatie tot normale bedrijfsuitoefening van vennootschap
In deze zaak staat centraal of een borgstelling door een echtgenoot voor een lening aan een vennootschap kan worden aangemerkt als een rechtshandeling ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap, zodat geen toestemming van de andere echtgenoot vereist is volgens art. 1:88 lid 4 BW Pro.
De vennootschap had een huurschuld die werd omgezet in een achtergestelde lening. De borgtocht van de echtgenoot voor deze lening werd aangevochten omdat deze zonder toestemming van zijn echtgenote was verstrekt. Zowel rechtbank als hof oordeelden dat deze borgtocht niet valt onder de uitzondering van normale bedrijfsuitoefening, omdat het geen gewone geldlening betrof, maar een omzetting van een waarschijnlijk onverhaalbare schuld zonder direct financieel voordeel voor de borg.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en benadrukt dat de uitzondering in art. 1:88 lid 4 BW Pro restrictief moet worden uitgelegd ter bescherming van de echtgenoot. Het feit dat de lening verband hield met de aankoop van het bedrijf en dat de borgtocht een op de borg verhaalbare vordering betrof zonder direct financieel voordeel, maakt dat de borgtocht niet als normale bedrijfsuitoefening kan worden beschouwd.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dan ook dat het beroep van eiseres wordt verworpen. De zaak illustreert de strikte toepassing van de gezinsbeschermingsregel bij borgstellingen door echtgenoten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de borgtocht valt niet onder de uitzondering van normale bedrijfsuitoefening en vereist toestemming van de echtgenote.