ECLI:NL:PHR:2000:AA5323

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C98/248HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 7:685 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid bij betalingsonmacht door belastingfraude en activa-overdracht

De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en de bestuurder van een vennootschap die door belastingfraude in betalingsonmacht is geraakt. De werknemer vorderde betaling van een ontbindingsvergoeding die de vennootschap niet kon voldoen. De kantonrechter kende de vergoeding toe, maar de bestuurder werd niet persoonlijk aansprakelijk gesteld door het hof, dat oordeelde dat de betalingsonmacht niet aan de bestuurder persoonlijk kon worden toegerekend.

De Hoge Raad bevestigt dat belastingfraude niet zonder meer leidt tot persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder jegens werknemers. Het hof had gemotiveerd vastgesteld dat de vennootschap in betalingsonmacht verkeerde en dat de bestuurder niet persoonlijk verwijtbaar was voor die situatie. Ook was de verkoop van activa aan een derde noodzakelijk om crediteuren, waaronder de fiscus en de bank, te voldoen.

De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen van de werknemer, die stelde dat het hof onjuiste motieven had gebruikt en onvoldoende bewijs had gewogen. De rechtbank en het hof hadden terecht geoordeeld dat de bestuurder niet aansprakelijk was, mede omdat de vennootschap geen betalingsonwil vertoonde en externe financiering niet haalbaar was. De vordering van de werknemer kon niet op de bestuurder worden verhaald.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de bestuurder niet persoonlijk aansprakelijk is voor de ontbindingsvergoeding aan de werknemer wegens betalingsonmacht van de vennootschap door belastingfraude.

Conclusie

Nr. C 98/248 HR Mr. Mok
Zitting 24 december 1999 Conclusie inzake
[eiser]
tegen
[verweerder]
Edelhoogachtbaar college,
1. Feiten
1.1. De B.V. Fotohandel [naam] (hierna: [B.V. Fotohandel]) maakte tot 1 december 1997 haar bedrijf van het exploiteren van een aantal fotowinkels.
Verweerder in cassatie, [verweerder], is op 1 oktober 1973, althans in januari 1987, in functie getreden als (enig) statutair directeur. Hij is tevens, via twee beheersvennootschappen, grootaandeelhouder.
1.2. Eiser van cassatie, [eiser], is op 2 februari 1966 in dienst getreden bij [B.V. Fotohandel]. Laatstelijk vervulde [eiser] de functie van bedrijfsleider van het filiaal Wilhelminakade te Uithoorn, één van de vier op dat moment bestaande filialen.
Het filiaal is in juli 1997 gesloten.
1.3. In 1995 heeft de Belastingdienst aan [B.V. Fotohandel] een tweetal naheffingsaanslagen opgelegd, respectievelijk van / 612.529,- in verband met loonbelasting/premie volksverzekeringen1 en van f 75.254,- in verband met omzetbelasting2.
Op 28 oktober 1997 heeft de Belastingdienst naar aanleiding van de naheffingsaanslagen voor een bedrag van f 383.800,- ten laste van [B.V. Fotohandel] executoriaal beslag gelegd. De executieveiling is daarbij aangezegd tegen 2 december 1997.
1.4.1. Bij (principe)overeenkomst van 4 november 1997 heeft [B.V. Fotohandel] de activa van de door haar geëxploiteerde onderneming per 1 december 1997 verkocht aan de vennootschap Rusthuis AKennemerland@ B.V. te Bloemendaal (hierna: Kennemerland).
Enig aandeelhouder en statutair directeur van Kennemerland is [..], vriendin van de zoon van [verweerder].
1.4.2. Partijen namen bij de overeenkomst onder meer het volgende in aanmerking3:
Aa. dat verkoper een aantal detailhandelszaken op het terrein van fotografie en fotografische apparatuur en producten voert op thans 3 vestigingen, t.w. Aalsmeer, Uithoorn en Amsterdam ZO
b. dat het bedrijf van verkoper in principe kostendekkend opereert maar door een aantal grote onvoorziene belastingvorderingen en het te dier zake door de Belastingdienst op 28 oktober 1997 gelegde executoriale beslag op voorraden en inventarissen desondanks in haar continuïteit bedreigd wordt;
c. dat verkoper wil voorkomen dat door een mogelijk gedwongen staking van het bedrijf omvangrijke kapitaalvernietiging van haar activa plaats vindt en de werkgelegenheid van het personeel in gevaar komt;
d. dat verkoper en koper daarop hebben overlegd over verkoop en overdracht van het bedrijf van Verkoper en de daarbij behorende activa op een zodanige wijze dat verkoper op verantwoorde wijze zijn verplichtingen kan afwikkelen;
e. dat de vorderingen van de belastingdienst uit hoofde van naheffing LB en OB terzake waarvan deze op 28 oktober 1997 beslag heeft gelegd, naar huidige inzichten in elk geval f 105.000,- bedragen;@
1.5. Op 18 november 1997 zijn [B.V. Fotohandel] en Rusthuis Kennemerland een overnamesom van f 371.134,- overeengekomen die ten dele aan de Rabobank moest worden betaald ter aflossing van een rekeningcourantschuld van [B.V. Fotohandel], en voor een ander deel aan de Belastingdienst (onder voorbehoud van goedkeuring door laatstgenoemde).
1.6. [Verweerder] is thans in dienst van Kennemerland, dat sedert de voornoemde overname opereert onder de handelsnaam A[B.V. Fotohandel] Detailhandel@.
1.7. Bij beschikking van 13 november 1997 heeft de kantonrechter te Amsterdam de arbeids-overeenkomst tussen [B.V. Fotohandel] en [eiser], op verzoek van laatstgenoemde, met ingang van 1 december 1997, ontbonden. Daarbij is ten laste van [B.V. Fotohandel] een vergoeding aan [eiser] toegekend van f 160.000,- bruto, strekkende tot aanvulling op door [eiser] te ontvangen uitkeringen dan wel elders te verdienen (verdiend) loon.
Tot op het moment van het wijzen van het bestreden arrest3 had [B.V. Fotohandel] van deze vergoeding niets aan [eiser] voldaan. De wettelijke rente is aangezegd tegen 19 december 1997.
1.8. Op 26 januari 1998 heeft [eiser]4 ten laste van [verweerder] conservatoir beslag gelegd op twee aan [verweerder] toebehorende onroerende zaken.
Bij dagvaarding van 9 februari 1998 heeft [eiser] bij de rechtbank te Amsterdam een bodemprocedure tegen [verweerder] aanhangig gemaakt.
2. Verloop procedure
2.1. Op 13 maart 1998 heeft [eiser] [verweerder] in kort geding gedagvaard voor de president van de rechtbank te Amsterdam. Hij heeft voldoening door [verweerder] gevorderd van de door de kantonrechter ten laste van [B.V. Fotohandel] bepaalde beëindigingsvergoeding van f 160.000,- bruto, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten.
2.2.1. De president heeft overwogen (ro 6 en 7) dat [verweerder] op verwijtbare wijze betalingsonmacht gecreëerd heeft die er toe heeft geleid dat [B.V. Fotohandel] niet meer in staat is om de aan [eiser] toekomende ontbindingsvergoeding te voldoen.
De oorzaak van de betalingsonmacht lag volgens de president geheel in de naheffingsaanslagen, die een gevolg waren van belastingfraude; zij hield [verweerder] verantwoordelijk voor de onjuiste belastingaangiftes die hieraan ten grondslag lagen. De vraag of er daadwerkelijk sprake was van betalingsonmacht behoefde zij aldus niet meer te beantwoorden.
2.2.2. De president heeft bij vonnis van 9 april 1998 [verweerder] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van het bedrag van f 160.000,- te vermeerderen met wettelijke rente.
2.3. [Verweerder] heeft tegen het vonnis van de president hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 9 juli 1998 heeft het hof het vonnis van de president vernietigd en de gevraagde voorziening geweigerd.
2.4. [Eiser] is van het arrest van het hof (tijdig5) in cassatie gekomen. Het beroep steunt op twee middelen die bestaan uit verscheidene onderdelen en S voorzover het middel II betreft S subonderdelen. De middelen zijn toegelicht in de cassatiedagvaarding, als ware het een rekest.
[Verweerder] heeft tot verwerping van het beroep geconcludeerd. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht en gerepliceerd onderscheidenlijk gedupliceerd. Ik teken aan dat de repliek van de raadsman van eiser langer is dan de schriftelijke toelichting. Dat is in beginsel niet de bedoeling. In dit geval vindt de omvang van de repliek een zekere rechtvaardiging in die van de schriftelijke toelichting namens verweerder.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1.1. Middel 1 bestrijdt de roo. 4.15 en 4.16 van s hofs arrest.
In ro. 4.15 heeft het hof overwogen dat de grieven I en II, gericht tegen de S door het hof (roo. 4.13., 4.14 en 4.17.) geciteerde S roo. 7 resp. 6 van het vonnis van de president, slaagden. Op een in naheffingsaanslagen resulterende belastingfraude kan, aldus het hof, niet zonder meer een onrechtmatige daad worden gebaseerd.
3.1.2. In ro. 6 heeft de president overwogen dat [verweerder] zich, naar hij zelf erkend had, aan belastingfraude schuldig had gemaakt. In ro. 7 heeft zij daarop laten volgen dat [verweerder] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door een situatie te laten ontstaan die ertoe heeft geleid dat [B.V. Fotohandel] niet meer in staat was om de aan [eiser] toekomende ontbindingsvergoeding te voldoen.
3.1.3. Het middel brengt naar voren dat men, zoals de president heeft gedaan, onderscheid moet maken tussen het creëren van betalingsonmacht S welke een onrechtmatige daad van [verweerder] oplevert S en de belastingfraude (slechts) als oorzaak daarvan.
[Verweerder] zou dit in zijn grieven I en II hebben miskend, waardoor ook het hof niet had mogen beslissen als het heeft gedaan.
3.1.4.1.In de bedoelde grieven had [verweerder] gesteld:
"Grief I:
Ten onrechte heeft de President in haar vonnis (blz. 5, sub 6) geoordeeld dat [verweerder] uit hoofde van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW Pro tegen derden aansprakelijk is voor de situatie van betalingsonmacht waarin [B.V. Fotohandel] geraakt is als gevolg van de in 1995 door de Belastingdienst opgelegde naheffingsaanslagen (...).
Grief II
Ten onrechte heeft de President geoordeeld dat de verantwoordelijkheid van [verweerder] voor de in 1995 ontstane situatie van betalingsonmacht van de vennootschap een onrechtmatige daad van hem jegens [eiser] oplevert."
3.1.4.2. Het in ' 3.1.3. bedoelde onderscheid is deze grieven wel degelijk gemaakt en het hof heeft dit onderscheid, door de grieven gegrond te verklaren, niet miskend.
Om tot persoonlijke aansprakelijkheid van [verweerder], als bestuurder, voor de verplichting van de vennootschap te komen was het nodig vast te stellen dat de vennootschap door betalingsonmacht niet kon presteren en dat [verweerder] kon daarvoor persoonlijk aansprakelijk kon zijn indien hem een persoonlijk verwijt trof6.
3.1.4.3. [Verweerder] heeft naar het feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel van het hof (roo. 4.18-4.21)7 aannemelijk gemaakt dat de vennootschap verkeerde in een toestand van betalingsonmacht en niet van betalingsonwil.
3.1.4.4. De president meende dat [verweerder] inderdaad, door de belastingfraude, een persoonlijk verwijt trof. Het hof kwam tot een ander oordeel omdat het S kort samengevat S het causaal verband niet aangetoond achtte. Dat heeft het gemotiveerd door er op te wijzen dat de belastingfraude die in 1990-1994 was gepleegd, in 1995 heeft geleid tot oplegging van een naheffingsaanslag. Men kan daarop volgens het hof niet zonder meer een onrechtmatige daad jegens [eiser], wiens vordering voortvloeit uit de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter uit november 1997, stoelen.
Het hof wil hiermee m.i. tot uitdrukking brengen dat [verweerder], toen de vennootschap de belastingfraude beging, de vordering van [eiser] niet kon voorzien. Ik voeg hieraan S enigszins cynisch S toe dat belastingfraude op zichzelf geen gedraging is die tot betalingsonmacht leidt. Het omgekeerde is eerder het geval, tenzij de belastingdienst, zoals hier is gebeurd, de fraude ontdekt.
3.1.4.5. Omdat het hof het door [eiser] genoemde onderscheid niet heeft miskend, stuit het middel in al zijn onderdelen af op afwezigheid van feitelijke grondslag.
3.2.1. Middel 2 bevat een inleiding (2.1.) die weliswaar een (motiverings)klacht bevat, maar zonder zelfstandige betekenis. De klacht wordt in de daarop volgende onderdelen uitgewerkt.
3.2.2. In onderdeel A betoogt [eiser] dat het hof zich niet op de concept-jaarstukken die door [verweerder] in het geding zijn gebracht zou hebben mogen baseren, omdat [verweerder] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze jaarstukken daadwerkelijk op onafhankelijke wijze door Paardekooper en Hoffman8 zijn opgesteld (subonderdelen 2.2.2-2.2.4).
Voorts had het hof de essentiële stellingen van [eiser] dat er incidentele kosten zijn opgevoerd en een slechter inkoopbeleid werd gevoerd moeten betrekken in zijn overwegingen (2.2.5 en 2.2.7). Evenmin had het hof mogen aannemen dat de belastingaanslagen alleen in de cijfers waren verwerkt voorzover zij waren erkend door [B.V. Fotohandel], zodat er mogelijk nog meer verschuldigd zou zijn aan de fiscus (2.2.6).
3.2.3.1. Het hof heeft (in ro. 4.19) gemotiveerd waarom het niet aannemelijk achtte dat S zoals [eiser] had gesteld S de door [verweerder] overgelegde (op blanco papier gestelde) jaarstukken niet door Paardekooper en Hoffman waren opgesteld.
[Verweerder] heeft volgens het hof een plausibele verklaring gegeven voor het feit dat hij concept jaarstukken had overgelegd en niet de definitieve versie. Dit was te wijten aan onzekerheid over de financiële continuïteit van de onderneming.
3.2.3.2. Het hof heeft zich gebaseerd op de van Paardekooper en Hoffman afkomstige AToelichting op voorlopige cijfers 1997 van B.V. Fotohandel M.L. de Boer@9 waaruit de zorgelijke situatie van de vennootschap blijkt.
Omdat het hof (ro. 4.19) het aannemelijk heeft geacht dat de rapporten door Paardekooper en Hoffman zijn opgesteld, lag het op de weg van [eiser] om te bewijzen dat de rapporten niet van Paardekooper en Hoffman kwamen. Het enkele feit dat het rapport op blanco_papier (subonderdeel 2.2.3.) is gesteld en dat de informatie over de cijfers van de B.V of van [verweerder] komt, is onvoldoende om de conclusies van een rapport van een accountantskantoor in twijfel te trekken.
3.2.3.3. Uit de verklaring van Paardekooper en Hoffman10 blijkt dat het verlies over 1997 in belangrijke mate werd veroorzaakt door een margedaling en hogere bedrijfskosten als gevolg van accountants- en juridische advieskosten in verband met de problematiek van de onderneming.
Het hof kon daarom oordelen dat er geen sprake was van incidentele kosten die zijn opgevoerd en van een slechter inkoopbeleid zoals [eiser] betoogd. Eveneens kon het hof oordelen dat [verweerder] deze stelling van [eiser] voldoende heeft betwist11.
3.2.3.4. Daarnaast is niet onbegrijpelijk dat het hof uit de verklaring van Paardekooper en Hoffman en uit de stellingen van [verweerder] opmaakt dat de navorderingsaanslagen slechts ten dele verwerkt zijn. In de brief van 17 maart 1998 en wat minder precies in de brief van 8 juni 199812 heeft Paardekooper en Hoffman aangegeven dat de bedragen slechts ten belope van f 150.000,- waren verwerkt, omdat hierover nog procedures liepen.
Ook de winst_ en verliesrekening vermeldde slechts f 105.000,- als belastingaanslag. Dat de aanslagen hoger zouden kunnen uitvallen (en dus de financiële toestand van de b.v. zorgelijker zou kunnen zijn) blijkt voorts uit de door [verweerder] in eerste instantie overgelegde13 naheffingsaanslagen en het proces verbaal van het beslag door de belastingdienst14. [Verweerder] heeft dit blijkens de pleitaantekeningen van zijn raadsman in eerste instantie ook aangevoerd15.
3.2.3.5. Bij de klacht (subonderdeel 2.2.6) dat het hof er ten onrechte van is uitgegaan dat de belastingaanslagen waarschijnlijk meer dan de in de jaarstukken opgenomen f 105.000,- bedroegen, heeft [eiser] geen belang.
Het hof heeft immers overwogen (ro 4.20), dat nog afgezien van de vraag of de belastingheffing nadeliger voor de b.v. zou uitvallen er toch al sprake is van een slechte liquiditeitspositie van de vennootschap. Het hof mocht overigens op grond van de reeds genoemde brieven en het proces-verbaal aannemen dat de belastingaanslagen nog niet geheel verwerkt waren in de cijfers en dat wanneer dit wel zou gebeuren, dit zou leiden tot de slotsom dat de onderneming een nog veel lagere waarde had16.
3.2.3.6. De klacht in onderdeel 2.2.7., komt erop neer dat bij [B.V. Fotohandel] wl liquiditeit aanwezig was. De strekking hiervan zal zijn aan te tonen dat er op het moment waarop de vennootschap had moeten presteren geen sprake was van betalingsonmacht, doch slechts van betalingsonwil.
Die klacht stuit echter af op het in de tweede alinea van de vorige paragraaf betoogde.
3.2.3.7. De overige subonderdelen van onderdeel A behoeven geen afzonderlijke bespreking.
3.3.1. Onderdeel B verwijst naar ro. 4.22 van het bestreden arrest. Aldaar heeft het hof een grief van [verweerder] weergegeven, waarin deze laatste had aangevoerd dat de vennootschap niet in staat was externe middelen aan te trekken. Het hof heeft in ro. 4.22. overwogen dat Spoaander dit betoog aannemelijk had gemaakt.
Het onderdeel werpt tegen dat het voor de vennootschap wel degelijk mogelijk was krediet aan te trekken om de schuld aan [eiser] te voldoen daar de investering van [verweerder] privé om de verbouwing te bekostigen ook als krediet moet worden beschouwd. Dat [verweerder] niet in staat was krediet ten behoeve van de vennootschap aan te trekken zou niet aannemelijk geworden zijn17.
3.3.2.1. De voorfinanciering door [verweerder] privé van de verbouwing was geen aanwijzing voor betalingsonwil bij [verweerder].
Blijkens de brief van Paardekooper en Hoffman van 8 juni 199818 is al eind 1996 tot de verbouwing besloten, terwijl de vordering van [eiser] dateert van november 1997. Dat [eiser] aanvoert dat al in februari 1997 tussen partijen werd gesproken over de ontbindingsprocedure19 brengt geen verandering in het feit dat de vordering waarin de ontbindingsprocedure resulteerde dateert van een aanzienlijk later tijdstip dan de verbouwing.
3.3.2.2. Het hof heeft tevens in ro. 4.23 voldoende gemotiveerd geoordeeld dat het extern aantrekken van krediet niet mogelijk was.
Een en ander blijkt, naast de door het hof geciteerde brief van 8 juni 1998, tevens uit de brief van Paardekooper en Hoffman van 17 maart 199820 (3e alinea). Verder blijkt uit de brief van 8 juni 1998 van Paardekooper en Hoffman21 dat de Rabobank niet bereid was het bedrag dat de verkoop van een privépand opbracht als extra liquiditeit in de onderneming te laten, alsmede dat de Rabobank niet tot verdere welwillendheid jegens de vennootschap bereid was.
3.4.1. Onderdeel C klaagt dat niet is gebleken dat de door de verkoop van de activa en door de privé voorfinanciering door [verweerder] ter beschikking van de vennootschap gekomen gelden niet anders konden worden besteed dan is gedaan.
Daarenboven zou het karakter van de voorfinanciering niet duidelijk zijn en is het bedrag niet terug te vinden in de door [verweerder] overgelegde balans.
3.4.2.1. De eerste klacht loopt vast op hetgeen ik hiervoor in ' 3.3.2.2. heb betoogd.
3.4.2.2. Uit de brief van Paardekooper en Hoffman (onder 6) van 8 juni 1998 blijkt dat de verbouwing niet in de voorlopige cijfers was verwerkt, omdat [verweerder] de kosten uit privémiddelen heeft voorgefinancierd.
Op grond hiervan kon het hof er van uitgaan dat het geld aan de door [eiser] op zichzelf niet bestreden verbouwing is besteed.
3.4.2.3. Het hof heeft, gezien de gedingstukken, in roo. 4.24 en 4.25 kunnen oordelen dat de Rabobank als pandhouder uit de opbrengst van de verkoop van de activa moest worden voldaan.
Uit de overeenkomst waarbij de activa van de vennootschap aan Kennemerland werden verkocht, blijkt dat de Rabobank een eerste pandrecht had op de voorraden inventarissen en handelsvorderingen. Daarvan wilde zij slechts tegen aflossing van het totale krediet afstand doen22.
3.4.2.4. De vordering van de fiscus is voldoende aannemelijk geworden uit de door [verweerder] in 1e instantie overgelegde aanslagen23. De noodzaak de fiscus te voldoen blijkt ook uit het proces-verbaal van de beslaglegging door de fiscus24.
3.4.3. Onderdeel D verdedigt dat onbegrijpelijk is dat de activa-overdracht noodzakelijk was, zoals het hof in ro. 4.27 heeft overwogen.
Voor de voldoening van verplichtingen staan debiteuren vele mogelijkheden ter beschikking, waarvan verkoop van activa er slechts één is. Bij de voldoening van de verplichtingen moeten alle crediteuren op gelijkwaardige basis worden behandeld, aldus het onderdeel.
3.4.4.1. De opvatting dat alle crediteuren op gelijkwaardige basis moeten worden voldaan, houdt in het licht van de bestreden rechtsoverweging, waarin het hof spreekt over voldoening van concurrente crediteuren en m.n. over de fiscale vordering die betrekking had op de erkende nig verschuldigde belasting, geen stand.
3.4.4.2. De stelling dat er andere en betere middelen dan activa-overdracht waren om de crediteuren te voldoen keert zich tegen een feitelijke en niet-onbegrijpelijke vaststelling van het hof die in dit kort geding geen nadere motivering behoefde en die zich niet tot toetsing in cassatie leent.
3.5.1. Onderdeel E bestrijdt ro. 4.28 van s hofs arrest, met het betoog dat [verweerder] niet aannemelijk heeft gemaakt dat niet is gelukt een regeling met de fiscus te treffen.
3.5.2.1. Het hof kon aannemen dat er geen regeling met de fiscus te treffen was op grond van (anders dan het middel wil) de al herhaaldelijk genoemde brief van Paardekooper en Hoffman van 8 juni 1998. Deze bevatte de mededeling dat er nog procedures liepen tegen de fiscus omtrent de belastingaanslagen. Daarnaast kon het hof zich baseren op het feit dat [verweerder] zelf had aangevoerd dat over de hoogte van de aanslagen nog geprocedeerd werd26.
Het onderdeel loopt hierop vast.
3.6.1. Onderdeel F bestrijdt het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat als de activatransactie niet zou hebben plaatsgevonden, [eiser] voldoende verhaal zou hebben gehad voor zijn vordering. Het hof zou hiermee de bewijslast op [eiser] hebben gelegd.
In het onderhavige geval heeft het hof vastgesteld dat [verweerder] voorshands aannemelijk heeft gemaakt dat de vennootschap verkeerde in een toestand van betalingsonmacht27 zonder dat deze te wijten was aan betalingsonwil van [verweerder].
De verkoop van de activa was, zoals bleek, noodzakelijk en de opbrengst daarvan is op een juiste wijze besteed. Op grond van de vaststelling van het hof van de noodzaak de fiscus te voldoen en de noodzaak de Rabobank (gezien het pandrecht) eveneens uit de opbrengst te voldoen kon het hof overwegen dat niet aannemelijk is dat indien de verkoop van activa aan Kennemerland niet had plaats gevonden de vordering van [eiser] wel was voldaan.
3.7. Uit het voorgaande blijkt dat de door middel 2 aangevallen overwegingen van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgaan en evenmin, mede in aanmerking nemens dat het om een kort geding gaat, aan een motiveringsgebrek lijden.
Het middel faalt derhalve.
3.8. Het voorgaande doet niet af aan de omstandigheid dat het niet op een voormalige werkgever kunnen verhalen van een door de kantonrechter toegekende vergoeding wegens ontbinding van een arbeidsovereenkomst (art. 7:685 BW Pro) voor een voormalige werknemer in veel gevallen zeer ingrijpend, en evenzeer sociaal onwenselijk, kan zijn.
Daaruit volgt echter niet dat een vordering van deze aard op een insolvente rechtspersoon zonder meer op de bestuurder van zulk een rechtspersoon kan worden verhaald. Aan de normale voorwaarden van persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder zal voldaan moeten zijn. Het hof was, op gronden die de toetsing in cassatie m.i. kunnen doorstaan, van oordeel dat dit in deze zaak niet het geval is.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van eiser in de kosten.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
1. Onder meer bestaande uit een naheffingsaanslag bij wijze van verhoging wegens niet tijdige betaling op aangifte.
2. Eveneens onder meer bestaande uit een naheffingsaanslag wegens niet B volledige S betaling op aangifte.
3. zie overeenkomst, overgelegd als productie 5 bij de brief van de raadsman van [verweerder] aan de president van de rechtbank d.d. 23 maart 1998.
4. Zie ro. 4.9. daarvan.
5. Na daartoe op 23 januari 1998 verkregen presidiaal verlof (prod. 4 bij brief van de raadsman van [eiser] van 12 maart 1998, overgelegd in 1e aanleg.
6. Aanvankelijk onder oproeping tegen een onjuiste rechtsdag (nl. een dag waarop de burgerlijke kamer van de Hoge Raad geen zitting hield). Dit gebrek is een week later door een herstelexploit gerepareerd.
7. Vgl. HR 14 november 1997 (pandaberen), NJ 1998, 270, m.nt. J.M.M. Maeijer. Zie voorts Asser/Maeijer, 2-III, 1994, nr. 323, p. 417 e.v. en Asser-Van der Grinten-Maeijer, 2-II, 1997, nr. 117, p. 120 e.v.
8. Overeenkomstig HR 3 april 1992 (Van Waning/Van der Vliet), NJ 1992, 411, m.nt. J.M.M. Maeijer.
9. In het bestreden arrest (ro. 4.18.) aangeduid als de Aexterne accountant@.
10. Prod. bij pleitnota raadsman [verweerder] in hoger beroep (alleen in B-dossier). Zie voorts het als prod. 3 bij brief van 23 maart 1998 aan de president van de rb. door de advocaat van [verweerder] overgelegde rapport van Paardekooper en Hoffman.
11. Brief van 8 juni 1998, onder 5.
12. Zie pleitnotites in appel, zitting hof van 12 juni 1998 onder 5.
13. Beide: zie noot 10.
14. Prod. 1 en 2 bij de in noot 10 genoemde brief van 23 maart 1998.
15. Als vorige noot, prod. 4.
16. P. 3 onder 4.
17. Zie de brief van 17 maart 1998 (prod. 2 bij de in noot 10 genoemde brief van 23 maart 1998), tweede alinea, en de brief van 8 juni 1998, onder 1.
18. Dit grijpt terug op hetgeen [eiser] in feitelijke instanties heeft aangevoerd; zie pleitaantekeningen in 1e aanleg. p. 1, onder 8, en p. 6 onder D en E., alsmede m.v.a., p. 7, onder 40, en p. 9, onder 48.
19. Prod. bij de pleitnotities in appel (12 juni 1998).
20. Zie pleitaantekeningen 1e aanleg (27 maart 1998).
21. Prod. 3 bij de brief van 23 maart 1998 (1e aanleg). Zie ook pleitnotities in appel van de raadsman van [verweerder], 27 maart 1998, p. 9 onder 17.
22. Prod. bij de in de vorige noot genoemde pleitnotities.
23. Zie ook pleitnotities in 1e aanleg van de raadsman van [verweerder], p. 5_6, onder 8 en 9, en p. 8, onder 15, alsmede de m.v.gr., onder grief III.
24. Prod. 1 en 2 bij brief 23 maart 1998.
25. Prod. 4 bij de in de vorige noot genoemde brief.
26. Pleitaantekeningen 1e aanleg, p. 3, onder 4.
27. HR 3 april 1992 (Van Waning/Van der Vliet), zie noot 8.