ECLI:NL:PHR:2000:AA5260
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering dwangmiddelen bij omgangsregeling in belang van minderjarige kinderen
De zaak betreft een geschil tussen een vader en moeder over de omgangsregeling met hun minderjarige kinderen na beëindiging van hun relatie. De kinderen verblijven bij de moeder die het ouderlijk gezag uitoefent. De vader verzocht om een omgangsregeling, die na afwijzing door de rechtbank werd vastgesteld door het hof, met een regeling van omgang eenmaal per veertien dagen.
De vader trachtte vervolgens via kort geding dwangmiddelen zoals dwangsommen en gijzeling op te leggen om de omgangsregeling af te dwingen. Zowel de president van de rechtbank als het hof wezen deze verzoeken af, met als reden dat de gespannen situatie tussen de ouders een negatieve invloed heeft op het oudste kind en dat gedwongen omgang de rust en het herstel van het kind zou verstoren.
De vader stelde in cassatie dat het hof ten onrechte het opleggen van dwangmiddelen weigerde en dat de rechter in kort geding niet opnieuw het belang van het kind zou moeten toetsen. De Hoge Raad verwierp deze middelen, bevestigde dat het opleggen van dwangmiddelen een discretionaire bevoegdheid is en dat het belang van het kind bij de toepassing daarvan centraal staat. Ook oordeelde de Hoge Raad dat weigering van dwangmiddelen niet in strijd is met de artikelen 1, 8, 13 en 14 EVRM.
De Hoge Raad concludeerde dat het beroep van de vader ongegrond is en verwierp het cassatieberoep, waarmee de weigering van dwangmiddelen stand hield.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en de weigering van dwangmiddelen om de omgangsregeling af te dwingen blijft in stand.