ECLI:NL:PHR:2000:AA5037
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over mededelingsplicht bij ademanalyse en recht op tegenonderzoek
In deze zaak stond centraal de vraag of een verdachte na een ademanalyse door opsporingsambtenaren gewezen moet worden op het recht om een tegenonderzoek in de vorm van een bloedonderzoek te verzoeken. De verdediging voerde aan dat het ontbreken van een dergelijke mededeling de ademanalyse onrechtmatig maakte en dat dit een schending van artikel 6 EVRM Pro inhield.
Het hof verwierp deze verweren omdat de wet dit niet voorschrijft en omdat de verdachte de uitslag van de ademanalyse niet betwistte. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat een algemene mededelingsplicht niet bestaat, tenzij de verdachte stellig en gemotiveerd de uitslag aanvecht. In dat geval kan het raadzaam zijn de verdachte te wijzen op de mogelijkheid van een tegenonderzoek.
De Hoge Raad benadrukte dat het equality of arms-beginsel niet vereist dat de verdachte over dezelfde juridische kennis beschikt als het Openbaar Ministerie, en dat het niet noodzakelijk is dat opsporingsambtenaren de verdachte informeren over alle verweerrechten die de wet niet expliciet voorschrijft.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef. De zaak illustreert de afweging tussen wettelijke voorschriften, het recht op een eerlijk proces en de praktische toepassing van mededelingsplichten in het strafproces.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen; geen mededelingsplicht over recht op tegenonderzoek bij niet-betwiste ademanalyse.