ECLI:NL:PHR:2000:AA4894
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid OM bij fiscale vervolging en veroordeelt wethouder voor ambtelijke corruptie
In deze zaak stond de vraag centraal of het Openbaar Ministerie ontvankelijk was in de vervolging van verzoeker voor het opzettelijk onjuist invullen van belastingaangiften over 1992 en 1993. Het hof had het OM niet-ontvankelijk verklaard wegens schending van de aanmeldings-, transactie- en vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten, waarbij onder meer de drempel van ƒ 12.000,- ontdoken belasting en een puntensysteem werden gehanteerd.
De procureur-generaal stelde cassatie in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat het OM niet in cassatie mocht afwijken van het beleid neergelegd in de richtlijnen zonder deugdelijk bewijs en motivering.
Daarnaast werd verzoeker veroordeeld voor het aannemen van giften als ambtenaar, wetende dat deze werden gedaan om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen, zonder dat het noodzakelijk was dat de beoogde handelingen daadwerkelijk waren gevolgd. Het hof achtte het bewijs voldoende concreet en de Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen die het bewijs en de strafoplegging betwistten.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van het OM en bevestigde de veroordeling van verzoeker tot een geldboete van ƒ 25.000,- subsidiair 130 dagen hechtenis wegens ambtelijke corruptie.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het OM voor fiscale feiten en veroordeelt verzoeker tot een geldboete van ƒ 25.000,- subsidiair 130 dagen hechtenis wegens ambtelijke corruptie.