ECLI:NL:PHR:2000:AA4876
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling draagkracht bij alimentatie na ontbinding arbeidsovereenkomst en toerekening van ontbindingsvergoeding
Partijen zijn in 1980 gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. Na verzoek van de vrouw tot echtscheiding en alimentatie stelde de rechtbank partner- en kinderalimentatie vast. De man kreeg zijn arbeidsovereenkomst ontbonden en ontving een schadeloosstelling van f 42.000,-. Hij stelde dat zijn draagkracht was verminderd, terwijl de vrouw betoogde dat hij zijn inkomen kon aanvullen tot het oude niveau.
Het hof stelde de kinderalimentatie vast op f 250,- per kind en partneralimentatie op nihil, waarbij het een deel van de ontbindingsvergoeding (f 30.000,-) als inkomen toerekende. De vrouw stelde cassatie in tegen deze draagkrachtberekening, omdat het hof niet het volledige bedrag van f 42.000,- meerekende en ook rekening hield met het feit dat de man een deel van het kapitaal had gebruikt voor alimentatiebetalingen.
De Hoge Raad bevestigt dat de draagkracht wordt bepaald door inkomen en vermogen en dat de feitenrechter discretionaire bevoegdheid heeft om te bepalen welk deel van het vermogen als inkomen wordt aangemerkt. Het hof mocht het deel van de vergoeding dat was besteed aan schulden en alimentatiebetalingen buiten beschouwing laten. Ook was het niet onredelijk dat het hof geen rekening hield met een toekomstig inkomen uit arbeid, omdat wijziging van alimentatie mogelijk is bij veranderde omstandigheden. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen; het hof mocht slechts een deel van de ontbindingsvergoeding toerekenen aan het inkomen van de man bij de draagkrachtberekening.