ECLI:NL:PHR:2000:AA4850

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1274
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OnteigeningswetArt. 17 OnteigeningswetArt. 37 OnteigeningswetArt. 411 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over ontvankelijkheid en noodzaak tot onteigening bij vervroegde onteigening

De zaak betreft een geschil over de vervroegde onteigening van een perceel grond in de gemeente Oirschot, waarbij Antonius Franciscus Henricus van de Sande eigenaar was. De gemeente besloot tot onteigening ten behoeve van een bestemmingsplan, en na een vonnis van de rechtbank werd de onteigening uitgesproken met een voorschot op schadeloosstelling. Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. wilden in het onteigeningsgeding tussenkomen, maar werden door de rechtbank afgewezen wegens gebrek aan bewijs van eigendom.

In cassatie werd onderzocht of deze partijen ontvankelijk waren. De Hoge Raad concludeerde dat zij niet ontvankelijk zijn omdat zij geen partij waren in het geding tot vervroegde onteigening. Vervolgens behandelde de Hoge Raad de vraag of de rechtbank terecht had geoordeeld dat er geen redelijke twijfel bestond over de noodzaak tot onteigening, ondanks het bewijsaanbod dat zelfrealisatie mogelijk was. De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank terecht het bewijsaanbod heeft gepasseerd omdat de noodzaak tot onteigening een bestuurlijke belangenafweging is en niet door de rechter kan worden getoetst.

Ook werd geoordeeld dat de gemeente voldoende serieus had onderhandeld over een minnelijke verwerving, zoals vereist door art. 17 Onteigeningswet Pro. De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. en tot verwerping van het cassatieberoep van Van de Sande.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. niet ontvankelijk en verwerpt het cassatieberoep van Van de Sande, waarmee de onteigening wordt bevestigd.

Conclusie

Nr. 1274 Mr. Ilsink
Derde Kamer B Conclusie inzake:
Onteigening 1. Antonius Franciscus
Henricus van de Sande
Zitting, 20 oktober 1999 2. Rhee-Bra C.V.
3. Bouwbedrijf Van Rhee
B.V.
tegen
de gemeente Oirschot
Edelhoogachtbaar College,
1. Feiten en procesverloop
1.1. Bij besluit van 26 november 1996, nr. 145, heeft
de raad van de gemeente Oirschot (hierna: de gemeente)
besloten ingevolge het bepaalde bij art. 77, eerste
lid, onder 1°, van de Onteigeningswet (Ow.), ten
behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan
"PIROC-Strijpsche Kampen"<(1) Dit plan is op 28 mei 1996 vastgesteld door de
gemeenteraad, op 19 december 1996 goedgekeurd door
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant en op 4 mei 1998
onherroepelijk geworden.
>, ten name van de gemeente
onder meer te onteigenen het perceel, kadastraal bekend
gemeente Oirschot, sectie E, nr. 930 (grondplannr. 27),
groot 01.67.20 ha, zijnde bouwland. Dit perceel stond
ten name van Antonius Franciscus Henricus van de Sande
(hierna: Van de Sande). Bij Koninklijk Besluit van 30
juni 1997, no. 97.003107, Stcrt. 18 juli 1997, nr. 135
(hierna: het KB) is voormeld raadsbesluit inzoverre
goedgekeurd.
1.2. Bij exploit van 19 oktober 1998 heeft de gemeente
Van de Sande doen dagvaarden voor de rechtbank te `s-
Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) en onder meer
gevorderd te harer name vervroegd de onteigening uit te
<
?
>
spreken van voormelde onroerende zaak.
1.3. Bij vonnis van 26 maart 1999, nr. 31233 / HA ZA
98-2547, heeft de rechtbank het verzoek van eiseres tot
cassatie sub 2 de commanditaire vennootschap Rhee-Bra
C.V. (hierna: Rhee-Bra C.V.) en van eiseres tot
cassatie sub 3 de besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid Bouwbedrijf Van Rhee B.V. (hierna:
Van Rhee B.V.), beherend vennote van Rhee-Bra C.V., om
in het onteigeningsgeding te mogen tussenkomen,
afgewezen. Voorts heeft de rechtbank de gevorderde
onteigening uitgesproken; het voorschot op de
schadeloosstelling voor Van de Sande bepaald op ƒ
144.569,70; en drie deskundigen en een rechter-
commissaris benoemd.
1.4. Tegen dit vonnis hebben eisers tot cassatie beroep
in cassatie ingesteld, onder aanvoering van twee met
Romeinse cijfers genummerde cassatiemiddelen.
1.5. De gemeente heeft voorwaardelijk incidenteel
cassatieberoep ingesteld, onder aanvoering van één
middel.
1.6. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten ter
zitting van Uw Raad van 9 juli 1999 schriftelijk doen
toelichten, waarna eisers tot cassatie ter zitting van
13 augustus 1999 nog hebben gerepliceerd.
1.7. Heden neem ik ook mijn conclusie in de
soortgelijke zaken die bij Uw Raad onder de nrs. 1272,
1273, 1275 en 1276 zijn geregistreerd. Er zitten geen
wezenlijke verschillen in de conclusies; voorzover er
verschillen zijn, met name in de onderdelen 3 en 4,
vinden die hun verklaring in verschillen in de
feitelijke constellatie.
2. De ontvankelijkheid van Rhee-Bra C.V. en Van Rhee
B.V. in het cassatieberoep
2.1. In haar schriftelijke toelichting van 9 juli 1999
heeft de gemeente betoogd dat Rhee-Bra C.V. en Van
Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden
ontvangen, omdat de rechtbank hun verzoek om in het
onteigeningsgeding te mogen tussenkomen heeft
afgewezen, op de grond dat zij geen derde-
belanghebbenden zijn in de zin van art. 3, tweede lid,
Ow.
2.2. Dat is niet juist. De rechtbank heeft de verzoeken
van Rhee-Bra C.V. en van Van Rhee B.V. om in het
onteigeningsgeding te mogen tussenkomen afgewezen, op
de grond dat zich in dit geval de situatie van
"tegenspraak der hoedanigheid" als bedoeld in art. 3,
derde lid, Ow. voordoet. Daartoe heeft de rechtbank
overwogen dat uit de overgelegde akte van levering d.d.
22 januari 1999 weliswaar blijkt dat Van de Sande aan
Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. een onverdeeld aandeel
heeft geleverd in het in het geding zijnde perceel,
doch dat van de inschrijving van de notariële akte in
de daartoe bestemde openbare registers, benodigd voor
de voltooiing van de voor de overdracht van onroerende
zaken vereiste levering, geen bewijs is overgelegd,
zodat, gelet op de betwisting door de gemeente, niet in
rechte vast staat dat Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V.
mede-eigenaar zijn geworden van het te onteigenen
perceel.
2.3. Niettemin zal ik ambtshalve moeten onderzoeken of
de exceptie van niet-ontvankelijkheid opgaat. Hoewel de
exceptie niet bij conclusie van antwoord is
voorgedragen, zoals bij art. 411, tweede lid, Rv. is
voorgeschreven, ga ik ervan uit dat het hier een grond
van niet-ontvankelijkheid betreft die van openbare orde
is.<(2) Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie, derde
druk (1989), § 143.
> In wezen betoogt de gemeente immers dat Rhee-Bra
C.V. en Van Rhee B.V. geen partij zijn bij het
onteigeningsgeding.
2.4. Bij art. 3, derde lid, Ow. is bepaald dat bij
tegenspraak van de hoedanigheid van eigenaar,
rechthebbende of derde belanghebbende, de onteigening
met de overigen wordt voortgezet, en hij, die beweert
gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de
schadevergoeding zal kunnen uitoefenen, die in dat
geval wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de
consignatie van gelden.<(3) In de onderhavige zaak heeft de rechtbank consignatie
van een gedeelte van de schadeloosstelling achterwege
gelaten, omdat door geen van de partijen is duidelijk
gemaakt voor welk bedrag zou dienen te worden
geconsigneerd, het belang van interveniënten zeer
gering is en zij een samenwerkingsovereenkomst hebben
met Van de Sande.
>
2.5. In HR 28 augustus 1934, NJ 1934, blz. 1689, m. nt.
E.M.M. overwoog Uw Raad:
" (blz. 1692) O. dat de gemeente
ontvankelijkheid van het door de Vries Lentsch
tegen de(?) uitspraak[, waarbij de rechtbank de
onteigening heeft uitgesproken met vaststelling
van het bedrag der schadevergoeding en bepaling
dat dat bedrag zal worden geconsigneerd]
ingestelde beroep in cassatie bestrijdt op grond,
dat hij daarbij niet partij is, nu de door hem
beweerde hoedanigheid van eigenaar van de te
onteigenen percelen is tegengesproken;
dat dit verweer moet worden verworpen;
(?)
dat uit de geschiedenis der wet blijkt, dat de
bedoeling van [art. 3, derde lid, Ow.] niet is om
[een] derde [die verzoekt op grond van eenig recht
op het goed in het geding te mogen tusschenkomen]
te beletten in het geding tot onteigening te
blijven waken tegen krenking van de door hem
beweerde rechten op het goed, doch alleen om ter
voorkoming van vertraging daarin elk onderzoek
naar het bestaan dier betwiste rechten uit te
sluiten;
dat dan ook in aansluiting hieraan de artt. 35
en volgende der wet hem, wiens beweerd recht op
het te onteigenen goed is tegengesproken,
desondanks rangschikken onder de belanghebbenden
en toelaten tot uitoefening van zekere
bevoegdheden, gelijk in het onderhavige geval de
Vries Lentsch zijn bezwaren tegen het advies der
deskundigen heeft ingebracht, ter terechtzitting
heeft geconcludeerd en zijn conclusieën bij
pleidooi heeft ontwikkeld;
dat de Vries Lentsch dus deel genomen heeft aan
het voor de Rechtbank gevoerde geding, dat geleid
heeft tot een vonnis, waarbij in strijd met zijn
conclusieën de onteigening is uitgesproken van
perceelen, waarvan hij beweert eigenaar te zijn en
waarbij de schadevergoeding is vastgesteld op een
naar zijn stellingen te laag bedrag;
dat daarom ook voor hem het beroep in cassatie
open staat tegen dit vonnis, dat beslist over
rechten, die alsnog kunnen blijken de zijne te
zijn, en het voor de bescherming van zijn -
mogelijk - recht noodzakelijk rechtsmiddel hem
niet mag worden onthouden, alleen omdat een - niet
onberispelijke woordenkeus der [Ow.] den naam van
"partij" slechts schijnt te willen geven, behalve
aan eischer en gedaagde, aan die deelnemers aan
het onteigeningsgeding, wier beweerd recht op het
goed niet wordt tegengesproken; dat toch uit die
woordenkeus niet blijkt van een bedoeling om - in
strijd met redelijkheid en eigen stelsel der wet -
den kring van hen, voor wie de voorziening in
cassatie openstaat, te beperken, terwijl ook in de
artikelen der [Ow.], die de cassatie regelen,
niets wordt aangetroffen, dat wijst op een
beperking van het rechtsmiddel tot hen, die deze
wet partijen noemt"<(4) Zie over dit arrest uitvoerig H.J.M. van Mierlo
Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, Bijz.
deel I.B. III, §§ 25 en 33, en W. Wijting, Een studie
tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, diss.
RUU (1984), blzz. 530-535.
>
2.6. Voormeld arrest uit 1934 betrof een eindvonnis als
bedoeld in art. 37, tweede lid, Ow. In het onderhavige
geval hebben wij te maken met een vonnis waarbij de
vervroegde onteigening is uitgesproken. In hoeverre
kunnen nu aan dat arrest aanknopingspunten worden
ontleend voor de beantwoording van de vraag of Rhee-
Bra C.V. en Van Rhee B.V. partij waren bij het geding
tot vervroegde onteigening?
2.7. Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. hebben niet
deelgenomen en ook niet kunnen deelnemen aan het voor
de rechtbank gevoerde geding. De Ow. biedt hun de
mogelijkheid aan de rechtbank te verzoeken in het
onteigeningsgeding te mogen tussenkomen, maar indien de
rechtbank dat verzoek afwijst, zijn hun processuele
mogelijkheden in het geding tot vervroegde onteigening
voor de rechtbank<(5) Tegen het vonnis waarbij het verzoek tot tussenkomst
wordt afgewezen, staat uiteraard wel cassatieberoep
open. Zie bijvoorbeeld HR 31 januari 1996, NJ 1996,
615, m. nt. MB.
> uitgeput. Op hetgeen verzoeksters tot
tussenkomst anders dan ter staving van hun verzoek tot
tussenkomst hebben aangevoerd, kon de rechtbank
derhalve geen acht slaan. Hoezeer ook voor Rhee-Bra
C.V. en Van Rhee B.V geldt dat het thans bestreden
vonnis beslist over rechten, die alsnog kunnen blijken
de hunne te zijn, kan dus niet worden gezegd dat zij
partij waren bij het geding tot vervroegde onteigening.
2.8. De conclusie is dat Rhee-Bra C.V. en Bouwbedrijf
Van Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden
ontvangen.
Beoordeling van het principaal cassatieberoep
3. Cassatiemiddel I
3.1. De rechtbank heeft overwogen dat reeds in de
procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding op
het punt van de noodzaak tot onteigening bezwaren naar
voren zijn gebracht, maar dat uit de eigen stelllingen
van Van de Sande blijkt dat destijds geen sprake was
van enige reële mogelijkheid tot zelfrealisatie - hij
spreekt in dit verband van een inmiddels volledig
gewijzigde situatie - zodat er in zoverre alleszins
noodzaak was tot onteigening en de overheid aldus in
redelijkheid
tot het onteigeningsbesluit kon komen. De rechtbank is
van oordeel dat de vraag of in het onteigeningsgeding
nog ruimte is voor een afwijzing van de gevorderde
onteigening op de grond dat de gedaagde partij - samen
met anderen - de bestemming zelf kan realiseren, alleen
positief kan worden beantwoord indien er op basis van
de voorhanden gegevens geen redelijke twijfel is over
de mogelijkheid voor de gedaagde partij om - samen met
anderen - de bestemming zelf te realiseren. In dat
geval is de gevorderde onteigening niet rechtmatig,
althans ontbreekt daaraan elk redelijk belang, aldus de
rechtbank.
Vervolgens stelt de rechtbank vast dat Van de
Sande niet de noodzakelijke
details geeft over de exacte mogelijkheden tot
zelfrealisatie en de praktische
uitvoering daarvan en dat de gemeente gemotiveerd heeft
bestreden dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is.
Zij kan zich op basis hiervan in feite geen goed
oordeel vormen over de vraag of Van de Sande in
samenwerking met Rhee-Bra en met anderen inderdaad
technisch, financieel en praktisch tot zelfrealisatie
van de op grondeigendommen waar het om gaat rustende
bestemming in staat is. De rechtbank acht een nader
tijdrovend feitenonderzoek door middel van
bewijslevering op dit punt in strijd met de spoed die
in een onteigeningsprocedure betracht dient te worden.
Op grond van het voorafgaande beantwoordt de
rechtbank voormelde vraag ontkennend.
3.2. Het middel klaagt er over dat de rechtbank ten
onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of in het
onteigeningsgeding nog ruimte is voor een afwijzing van
de gevorderde onteigening op de grond dat de gedaagde
partij - samen met anderen - de bestemming zelf kan
realiseren, alleen positief kan worden beantwoord
indien er op basis van de voorhanden gegevens geen
redelijke twijfel is over de mogelijkheid voor de
gedaagde partij - samen met anderen - zelf de
bestemming te realiseren. Geen rechtsregel zou zich
verzetten tegen feitenonderzoek door middel van
bewijslevering in een onteigeningsprocedure. De
overweging dat een nader tijdrovend feitenonderzoek
door middel van bewijslevering van de gestelde
mogelijkheid tot zelfrealisatie in strijd is met de
spoed die in een onteigeningsprocedure betracht dient
te worden, is volgens eiser tot cassatie sub 1 zonder
nadere redengeving onbegrijpelijk.
3.3. In zijn conclusie van antwoord voor de rechtbank
d.d. 11 december 1998 heeft Van de Sande aangevoerd:
"14. (?) [T]hans [is er] een verbond (?) binnen
Rhee-Bra van 50 ha gronden van eigenaren die ook
voor een groot gedeelte nagenoeg aaneengesloten
liggen en bovendien bestaan er middels Bouwbedrijf
Van Rhee B.V. voldoende mogelijkheden en
technische kennis om het geheel te kunnen
uitvoeren. Het bouwbedrijf heeft reeds informatie
gevraagd bij het Ministerie van Defensie [in] de
persoon van Kolonel Ir. C. van den Dungen zoals
blijkt uit bijgaand schrijven van 9 november 1998
(?) .
15. Bouwbedrijf Van Rhee B.V. alsmede de Beheer-
en Beleggingsmaatschappij Van Rhee B.V. tezamen
met de Strijpse Kampen B.V. en de overige
inbrengende eigenaren beschikken over voldoende
financiële middelen, de gronden en technische
middelen en mogelijkheden om de door de overheid
voorgestane planuitvoering binnen de door de
overheid gestelde termijnen en voorwaarden en
voorschriften te realiseren. Gedaagden zijn dan
ook bereid om binnen het door de overheid te
stellen kader het bestemmingsplan te realiseren.
Er bestaat derhalve voor de gemeente gelet op de
mogelijkheid van zelfrealisatie geen enkele
noodzaak tot onteigening."
Voorts heeft Van de Sande bewijs aangeboden, in het
bijzonder door middel van het horen van getuigen, van
zijn stelling dat hij in staat is het bestemmingsplan
zelf te realiseren (zie onderdeel 21 van de conclusie
van antwoord).
3.4. Het door Van de Sande voor het eerst bij de
rechtbank aangevoerde bezwaar dat er gelet op de
mogelijkheid tot zelfrealisatie geen noodzaak tot
onteigening is, noopt tot een nieuwe belangenafweging,
die de (onteigenings)rechter niet mag uitvoeren. Dan
zou de rechter immers op de stoel van het bestuur gaan
zitten. De noodzaak tot onteigening moet ook in het
onteigeninsgeding worden beoordeeld, maar dat kan
slechts aan de hand van op die noodzaak betrekking
hebbende bezwaren, die zozeer aan de rechtmatigheid van
de onteigening in de weg staan dat de belangenafweging,
die aan (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit
ten grondslag ligt, niet aan de orde komt. Het door Van
de Sande aangevoerde bezwaar stelt die belangenafweging
nu juist wel aan de orde.<(6) Zie onderdeel 3.8 van mijn conclusie voor HR 30
september 1998, NJ 1999, 411, m. nt. PCEvW (Willemsens-
Maassen en Burgfonds/Dordrecht).
>
3.5. Waarom heeft de rechtbank daar dan wel acht op
geslagen? Misschien heeft de rechtbank zich (mede)
laten leiden door de vonnissen van de rechtbank te
`s-Hertogenbosch van 12 mei 1989, NJ 1990, 490
(Helmond/Van Mullekom) en van de rechtbank te Arnhem
van 28 maart 1996, nr. ON 1995/1041 (Nijkerk/Van Hell
en Landman en Bouwfonds Woningbouw B.V.), waarvan ik de
relevante overwegingen heb geciteerd in de onderdelen
3.4 en 3.5 van mijn conclusie
voor HR 30 september 1998, NJ 1999, 411, m. nt. PCEvW
(Willemsens-Maassen en Burgfonds/Dordrecht).
3.6. Indien de rechtbank, zoals in de onder 3.5
vermelde vonnissen het geval was, vaststelt dat de
noodzaak tot onteigening (thans) niet (meer) aanwezig
is, omdat de onteigenende partij dat niet, althans
onvoldoende heeft weersproken, berust die vaststelling
niet op een toetsing van de aan (de goedkeuring van)
het onteigeningsbesluit ten grondslag liggende
belangenafweging, maar op een vaststelling van de
feiten.
3.7. De gemeente heeft, anders dan de gemeenten in de
onder 3.5 vermelde zaken, gemotiveerd bestreden dat
zelfrealisatie een reële mogelijkheid is. Mij dunkt dat
daarmee voor Van de Sande het doek valt. Ik meen voor
die opvatting voldoende aanknopingspunten te kunnen
vinden in rov. 3.3 van HR NJ 1999, 411, waarin Uw Raad
onderdeel 2 van het middel heeft verworpen, zulks onder
verwijzing naar, onder meer, onderdeel 3.9 van mijn
conclusie in die zaak. Weliswaar heeft Van de Sande
aangeboden te bewijzen dat zelfrealisatie een reële
mogelijkheid is, maar dat aanbod kan niet tot iets
leiden. Immers, de vraag of zelfrealisatie een reële
mogelijkheid is, kan slechts worden beantwoord in het
kader van een bestuurlijke belangenafweging en niet van
een rechterlijke. De klacht dat de rechtbank het
bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd, faalt dus
bij gebrek aan belang.
3.8. Het eerste cassatiemiddel is derhalve tevergeefs
voorgesteld.
4. Cassatiemiddel II
4.1. Het middel klaagt erover dat de rechtbank zonder
meer is voorbijgegaan aan de gemotiveerde stelling -
waarvan bewijs is aangeboden - dat de gemeente
onvoldoende serieus heeft onderhandeld. Voorts zou de
rechtbank niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe zij -
tegen de stelling van het tegendeel in - tot het
oordeel is gekomen dat het aanbod van de gemeente niet
reeds a prima vista als onredelijk kan worden
aangemerkt.
4.2. Voor beschouwingen met betrekking tot art. 17 Ow Pro.,
waarin de eis wordt gesteld dat voor de
ontvankelijkheid van de vordering tot onteigening de
onteigenende partij de te onteigenen zaak bij
minnelijke overeenkomst moet hebben getracht te
verwerven, moge ik verwijzen naar de onderdelen 4.4 en
4.5 van mijn conclusie voor HR 8 april 1998, NJ 1999,
24, m. nt. P.C.E. van Wijmen (Van den
Boogert/Rotterdam) en onderdeel 2.10, eerste citaat,
van mijn conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999,
411, eveneens m. nt. P.C.E. van Wijmen (Willemsens-
Maassen en Burgfonds/Dordrecht).
4.3. Uw Raad overwoog in HR NJ 1999, 24, onder 3.5:
"Artikel 17 [Ow.] schrijft de onteigenende partij
gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet
worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.
Daarbij dient die partij niet te werk te gaan
alsof dit voorschrift een te verwaarlozen
formaliteit is, in welk geval immers te kort zou
worden gedaan aan de strekking van het artikel dat
is gericht op het zo mogelijk vermijden van een
rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 (...) dat
de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij
minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten
worden ondernomen in de periode tussen het
definitief worden van het besluit tot onteigening
(...) en het uitbrengen van de dagvaarding (...)."
4.4. In onderdeel 21 van zijn conclusie van antwoord
voor de rechtbank heeft Van de Sande bewijs aangeboden,
in het bijzonder door middel van het horen van
getuigen, van zijn stelling dat de gemeente in de
periode gelegen tussen het besluit tot goedkeuring van
het onteigeningsbesluit en de dagvaarding geen serieuze
en in de Ow. bedoelde pogingen heeft ondernomen om te
komen tot minnelijk overleg.
4.5. De rechtbank heeft - terecht uitgaande van de in §
4.3 hiervoor geciteerde rechtsregels - de
correspondentie besproken die tussen de raadsman van de
gemeente enerzijds en Van de Sande anderzijds in de
periode tussen 21 juli en 15 oktober 1998 is gevoerd
naar aanleiding van het aanbod dat de raadsman van de
gemeente bij brief van 21 juli 1998 aan Van de Sande
heeft gedaan om te trachten de eigendom van het ter
onteigening aangewezen perceel bij minnelijke
overeenkomst te verwerven.<(7) Deze correspondentie is door de raadsman van de
gemeente ter zitting van 26 januari 1999 in het geding
gebracht.
>
De rechtbank komt op basis daarvan tot de
conclusie dat:
"de gemeente in de relevante periode een aanbod
heeft gedaan en een redelijke tijd heeft gegeven
om daarop inhoudelijk in te gaan. Gesteld noch
gebleken is dat door of zijdens de gemeente
tevoren reeds een bindend aanbod is gedaan. Van de
Sande heeft niet om een specificatie van het
aanbod gevraagd en slechts het aanbod als
volstrekt onaanvaardbaar van de hand gewezen,
zonder aan te geven wat volgens hem een redelijke
schadeloosstelling zou kunnen zijn. Onder die
omstandigheden heeft de gemeente, mede in
aanmerking genomen dat het aanbod van de gemeente
niet reeds a prima vista als onredelijk kan worden
aangemerkt, voldoende serieus onderhandeld.
De rechtbank komt aldus tot de slotsom dat de
gemeente niet in strijd met [art. 17 Ow Pro.] heeft
gehandeld."
4.6. Aldus gemotiveerd geeft het oordeel van de
rechtbank dat de gemeente niet in strijd met art. 17
Ow. heeft gehandeld mijns inziens geen blijk van een
onjuiste rechtsopvatting. Nu de gemeente in ieder geval
vanaf 21 juli 1998 voldoende serieus heeft onderhandeld
en de rechtbank - in cassatie onbestreden - heeft
vastgesteld dat door of zijdens de gemeente in de
periode daarvoor niet reeds een bindend aanbod is
gedaan, hoefde de rechtbank niet op het bewijsaanbod in
te gaan.
4.7. Bij brief van 21 juli 1998 heeft de raadsman van
de gemeente Van de Sande meegedeeld dat de gemeente
thans een bedrag biedt van ƒ 160.633,--. Dat komt neer
op een bedrag van ƒ 9,60 per m?. In het licht van het
feit dat Van de Sande niet om
een specificatie van het aanbod heeft gevraagd en
slechts het aanbod als volstrekt onaanvaardbaar van de
hand heeft gewezen, zonder aan te geven wat volgens hem
een redelijke schadeloosstelling zou kunnen zijn,
hoefde de rechtbank niet nader te motiveren waarom het
aanbod van de gemeente niet reeds a prima vista als
onredelijk kan worden aangemerkt.
4.8. Het tweede cassatiemiddel treft evenmin doel.
5. Beoordeling van het incidenteel cassatiemiddel
5.1. De gemeente heeft een incidenteel cassatiemiddel
voorgesteld, louter voor het geval één of meer grieven
in het principale cassatieberoep zouden slagen. Voor
het geval Uw Raad mij niet mocht volgen in mijn
conclusie tot verwerping van het principaal
cassatieberoep, merk ik het volgende op.
5.2. De klacht dat de rechtbank het bezwaar dat de
onteigening niet noodzakelijk is, omdat gedaagde na het
Koninklijk Besluit van 30 juni 1997 bereid en in staat
zou zijn de bestemming waarvoor onteigend wordt, zelf
te realiseren, ten onrechte inhoudelijk heeft
behandeld, mist feitelijke grondslag. De rechtbank
heeft slechts onderzocht of Van de Sande de
noodzakelijke details over de exacte mogelijkheden tot
zelfrealisatie en de praktische uitvoering daarvan
heeft verschaft en vastgesteld dat dit niet het geval
is en dat de gemeente bovendien gemotiveerd heeft
bestreden dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is.
Dat moest de rechtbank ook onderzoeken. Indien de
rechtbank namelijk feitelijk kan vaststellen dat de
noodzaak tot onteigening thans niet meer aanwezig is,
omdat de onteigenende partij de desbetreffende stelling
van de onteigende niet, althans onvoldoende heeft
weersproken, berust die vaststelling immers niet op een
toetsing van de aan (de goedkeuring van) het
onteigeningsbesluit ten grondslag liggende bestuurlijke
belangenafweging, maar op een aan de rechter opgedragen
vaststelling van de feiten.
6. Conclusie
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van
eisers tot cassatie sub 2 en 3 in hun cassatieberoep
en, beide middelen van het principaal cassatieberoep
ongegrond bevindend, tot verwerping van het beroep.
De Procureur-
Generaal bij de Hoge
Raad der Nederlanden
A-G