1 Grotendeels ontleend aan het tussenvonnis van het gerecht in eerste aanleg van 1 december 1992.
2 Ontleend aan de door [getuige 1] op 21 maart 1997 tegenover het hof afgelegde getuigenverklaring.
3 In een kennelijk naderhand opgemaakt proces-verbaal is door de rechter die het getuigenverhoor van [getuige 2] heeft afgenomen, verklaard dat voorafgaand aan het verhoor een debat tussen de gemachtigden van partijen heeft plaatsgevonden over de toelaatbaarheid van deze getuige en van de getuige [getuige 1] in het licht van het (na te noemen) Dombo-arrest van het EHRM. Hierover nader bij de bespreking van subonderdeel I.5.
4 Zie over de hoedanigheid van deze getuige voorts subonderdeel I.4, besproken in noot 12.
5 S.t., nr. 2.3.
6 De vraag of een als getuige gehoorde personen bekwaam is om als zodanig in rechte op te treden, is immers een rechtsvraag die - eenmaal aan de rechter voorgelegd - beantwoording behoeft onafhankelijk van de verder daarover door partijen gehouden beschouwingen.
7 EHRM 27 oktober 1993, NJ 1994, 534, m.nt. HJS en EJD.
8 Het Europese Hof en de partij-getuige, NJB 1994, blz. 185.
9 Hoge Raad terzijde gesteld door Europese Hof, Trema 1994, blz. 22.
10 Inleiding tot het Nederlands-Antilliaans recht (1997), blz. 450.
11 M.i. mag dit worden gelezen als: een gelijke (mate van) betrokkenheid hebben bij het bewijsthema.
12 Voorzoveel nodig verwijs ik daartoe naar de dupliek in reconventie, waarin Civil Construction heeft gesteld: "Niet [getuige 1] maar [getuige 3] voornoemd heeft het project geleid.". Op deze uitlating heeft Resort zich beroepen bij conclusie na enquête in het principaal appèl (processtuk 29). Dat [getuige 2] als statutair directeur aan de zijde van Resort de centrale figuur was, is onbetwist.
13 Deze door het hof gedane vaststelling wordt overigens bestreden door subonderdeel I .4, waarin wordt gesteld dat [getuige 3] ten tijde van het afleggen van zijn verklaring statutair directeur van Civil Construction was, althans als haar directeur bevoegd was om Resort te vertegenwoordigen. Ter toelichting voert het subonderdeel aan dat Resort bij conclusie na enquête in het principaal appèl heeft gesteld dat [getuige 3] ten tijde van de getuigenverhoren nog steeds als statutair directeur stond ingeschreven, zulks blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Nijverheid op Sint Maarten overgelegd, gedateerd op 10 januari 1997.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Resort heeft namelijk niet gesteld - zoals evenmin is gebleken uit het voormelde uittreksel - dat [getuige 3] ten tijde van het getuigenverhoor op 27 maart 1997 nog steeds directeur van Civil Construction was, of als zodanig stond ingeschreven, maar dat [getuige 3] op 10 januari 1997 nog stond geregistreerd als haar directeur.
14 HR 14 februari 1997, NJ 1999, 409, m.nt. S.C.J.J. Kortmann. In dezelfde zin Hartkamp, De betekenis van de invoering van een nieuw vermogensrecht (boeken 3-8 NBW) in Nederland voor de rechtspraktijk in het Koninkrijk, Tijdschrift voor Antilliaans recht 1991, blz. 72.
15 HR 8 februari 1991, NJ 1991, 325. Vergelijk overigens (nr 36 van) de conclusie van A-G Leijten voor HR 8 mei 1992, NJ 1992, 497, die een overzicht geeft van gevallen waarin wel of juist niet ruimte is voor een concorderende uitleg.
16 Aldus S.C.J.J. Kortmann, Nog een duit in de concordantiezak, in: Con Amore (Joubert-bundel), 1998, blz. 81.
17 Hierover recent de A-G Spier in zijn conclusie voor HR 29 oktober 1999, RvdW 1999, 157.
18 De Nederlanse regelgeving is overigens nog niet tot rust gekomen. In de artt. 2.8.16 juncto 2.8.25 van het Ontwerp NRv is de beperking van de bewijskracht van de partijgetuige die de bewijslast heeft, geschrapt, zulks naar aanleiding van het Dombo-arrest (MvT bij afd. 2.8, TK, vergaderjaar 1999-2000, 26.855, nr. 3, blz. 120-121). Deze ingreep was in de literatuur al bepleit door De Tombe-Grotenhuis in haar aangehaalde NJB-artikel en in haar dissertatie.
19 Het gaat hier om een nog niet algemeen toegankelijke bron, die bovendien - als Voorontwerp - nog wijziging kan ondergaan voordat zij publiek wordt gemaakt. Ik haal het Voorontwerp daarom niet aan om de daarin voorshands voorgestelde regels ingang te doen vinden, maar slechts om te waarschuwen tegen de te lichtvaardige veronderstelling van het subonderdeel, dat de opvattingen in Nederland en op de Antillen in dit opzicht gelijkluidend zijn.
20 Ontwerp-MvT blz. 123.
21 In punt 2 van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst (overgelegd als productie 1 bij het inleidend verzoekschrift) wordt de aanneemsom van $ 590.000,- vastgelegd.
22 Vergelijk bijvoorbeeld het einde van de noot van Heemskerk onder het onder het oude recht gewezen arrest van de HR van 24 december 1976, NJ 1977, 286.
23 Conclusie na enquête in incidenteel appèl, nr. 7.
24 Conclusie na enquête in incidenteel appèl, nr. 11, blz. 6.