ECLI:NL:PHR:2000:AA4742

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
112569
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 SvArt. 9 lid 1 sub a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid staandehouding en huiszoeking bij drugsbezit en -handel

Verdachte werd door het hof Arnhem veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf wegens het aanwezig hebben en verkopen van harddrugs. De politie hield verdachte staande toen hij in een auto reed die bekend was in het drugscircuit. Tijdens de staandehouding werd heroïne aangetroffen in de auto, waarna verdachte werd aangehouden en een huiszoeking volgde waarbij heroïne en cocaïne werden gevonden.

Verdachte stelde dat de staandehouding en daaropvolgende huiszoeking onrechtmatig waren omdat er geen redelijk vermoeden van schuld zou zijn geweest en de toestemming voor huiszoeking niet vrijwillig was gegeven. Het hof verwierp deze bezwaren, stellende dat de politie voldoende gronden had voor de staandehouding en dat verdachte vrijwillig toestemming had gegeven voor de huiszoeking.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof. De Raad oordeelde dat de politie op grond van de omstandigheden redelijkerwijs kon vermoeden dat er drugs aanwezig waren in de auto. Ook stelde de Hoge Raad dat de toestemming voor de huiszoeking vrijwillig was gegeven, ondanks dat de aanhouding aan een onrechtmatige staandehouding zou zijn voorafgegaan.

Het cassatiemiddel dat het bewijs onrechtmatig was verkregen en dat de toestemming niet vrijwillig was gegeven, werd verworpen. De Hoge Raad concludeerde dat het beroep ongegrond was en verwierp het cassatieberoep.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte wegens bezit en verkoop van harddrugs.

Conclusie

Conclusie
Nr.112. 569 mr Fokkens Zitting 7 december 1999
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij arrest van 6 januari 1999 van het gerechtshof te Arnhem is verdachte wegens het aanwezig hebben en het verkopen en afleveren van harddrugs veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.
2. Namens verdachte heeft mr W.A. Holland, advocaat te Nijmegen, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst kort gezegd de klacht dat het hof het beroep op onrechtmatig verkregen bewijs ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
4. Uit de stukken blijkt dat verdachte werd staande gehouden toen hij in een voor de politie met het drugscircuit verbonden auto reed. Bij staandehouding werd op een console gelegen links naast en schuin onder de stuurkolom in die auto een prop aluminium met een op heroïne gelijkende stof aangetroffen. Daarop werd verdachte aangehouden en heeft er bij hem een huiszoeking plaatsgevonden, waarbij heroïne en cocaïne in beslag is genomen. Het aanwezig hebben van die verdovende middelen op de dag van aanhouding 16 oktober 1996 en de verkoop en aflevering van dergelijke middelen in de periode september-oktober van dat jaar is bewezenverklaard.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn door de raadsman de volgende bezwaren geuit tegen de wijze van bewijsgaring:
a) Toen verdachte staande werd gehouden was er geen redelijk vermoeden schuld en de staandehouding is daarom onrechtmatig (NJ 1978, 601, de hollende kleurling).
b) Het doorzoeken van de auto waar verdachte in reed, was onrechtmatig, daar de verbalisanten als gevolg van het onrechtmatig staande houden toen reeds niet meer 'in de rechtmatige uitoefening van hun bediening' waren.
c) Het daarop volgende onderzoek in de woning van verdachte was, om dezelfde reden als onder b) genoemd, onrechtmatig.
5. Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:
" Het hof overweegt dat vanwege de raadsman onvoldoende gronden zijn aangevoerd en evenmin zijn komen vast te staan waaruit zou blijken dat het staande houden van verdachte onrechtmatig zou zijn. De verbalisanten zagen een auto rijden die hun ambtshalve bekend was als een auto die in het bezit was van een hun bekende drugsgebruiker en die meestal gebruikt werd door twee andere drugsgebruikers die hen tevens bekend waren. Deze auto zagen ze wegrijden vanaf een sociëteit voor alcohol- en drugsverslaafden, waarvan algemeen bekend is dat deze regelmatig door drugsverslaafden werd bezocht. Deze feiten leveren bij elkaar voldoende grond op om tot staandehouding over te gaan. Al ware het dat deze feiten onvoldoende grond voor staande houden opleveren, dan laat dat nog onverlet het feit dat verdachte vrijwillig toestemming heeft gegeven voor een huiszoeking in zijn woning. Niet is gebleken, noch aangevoerd dat deze toestemming niet vrijwillig zou zijn gegeven. Derhalve kan niet gesteld worden dat de huiszoeking enkel het gevolg is van het staande houden. Immers behoeft aan de wettelijke vereisten van een inbreuk op grondrechten niet te zijn voldaan in geval van toestemming van degene aan wie het betreffende grondrecht toekomt. Het hof verwerpt derhalve het verweer. "
De eerste klacht luidt dat het Hof niet uitdrukkelijk is ingegaan op het verweer dat de verbalisanten vanaf de plaats waar zij volgens het door hen opgemaakte proces-verbaal reden, in redelijkheid niet hebben kunnen zien dat de auto vanaf de bewuste sociëteit wegreed. Die klacht faalt omdat het aan het Hof was om de geloofwaardigheid van dat relaas te beoordelen en het Hof op grond van de opmerking van de raadsman dat het hem een raadsel was hoe de verbalisanten dat hebben kunnen waarnemen, niet behoefde te verantwoorden waarom het dat relaas geloofwaardig oordeelde.
De tweede klacht luidt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de staande houding rechtmatig was. Volgens de raadsman kon er, toen na de staandehouding bleek dat de bestuurder van de auto niet een van de bedoelde aan de politie bekende drugsgebruikers was, geen redelijk vermoeden van schuld meer bestaan ten opzichte van de verdachte. Ik ben het daar niet mee eens. Met het Hof meen ik dat de verbalisanten toen zij zagen dat een auto van een hen bekende drugsgebruiker, die ook door andere hen bekende drugsgebruikers werd gebruikt, wegreed bij een plaats waar veel drugsverslaafden komen en dus, naar de ervaring leert, ook verdovende middelen plegen te worden verhandeld, redelijkerwijs konden menen dat er een zeer reële kans was dat door de bestuurder van die auto aldaar drugs waren afgeleverd of opgehaald. Terzijde merk ik op dat de verbalisanten in hun proces-verbaal ook nog hebben gerelateerd dat van de door hen bedoelde personen die van de auto gebruik maakten, bekend was dat zij in verdovende middelen handelden. De enkele omstandigheid dat zij de bestuurder niet kenden, neemt niet weg dat de verbalisanten nog steeds redelijkerwijs konden vermoeden - op grond van de omstandigheid dat een auto die door drugsgebruikers wordt gebruikt, wegrijdt bij een ontmoetingsplaats van drugsgebruikers - dat in die auto verdovende middelen aanwezig waren. Dat laatste is op grond van art. 9 lid 1 sub a Opiumwet Pro voldoende om een onderzoek in een auto in te stellen. Ik acht derhalve ook de tweede klacht niet gegrond.
6. Tenslotte klaagt het middel over het oordeel van het Hof dat ook als de verbalisanten niet bevoegd waren tot staandehouding over te gaan, dit niet betekent dat het onderzoek in de woning van de verdachte onrechtmatig was. Volgens het middel heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat de verdachte na de staandehouding, de vondst van de op heroïne gelijkende stof in de auto en de daarop gevolgde aanhouding in vrijheid zijn toestemming heeft gegeven tot onderzoek in zijn woning.
7. Die klacht berust op de opvatting dat de enkele omstandigheid dat op onrechtmatige wijze bezwarend materiaal tegen iemand is aangetroffen, betekent dat hij niet meer vrijwillig toestemming kan geven voor verdere onderzoeken. Die opvatting acht ik onjuist. In casu heeft de verdachte volgens de stukken mondeling en schriftelijk toestemming gegeven tot een huiszoeking, waarbij hij heeft verklaard dat hij toestemming heeft gegeven zijn woning en de daarbij behorende kelderbox te onderzoeken omdat hij niets te verbergen had. Het Hof heeft hier niet onbegrijpelijk uit afgeleid dat de verdachte vrijwillig toestemming heeft gegeven voor de huiszoeking.
8. Ik kom op grond van het voorafgaande tot de conclusie dat het verweer is verworpen op toereikende gronden.
Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep wordt verworpen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,