ECLI:NL:PHR:2000:AA4113
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring van vorderingen uit onverschuldigde betaling van keurlonen aan de Staat
In deze zaak vordert eiseres, Bloembollencentrale, terugbetaling van keurlonen die zij tussen 1970 en 1986 aan de Staat betaalde. Deze keurlonen werden geheven voor inspecties van exportzendingen van planten en plantendelen. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen had geoordeeld dat deze heffingen in strijd waren met het EEG-Verdrag indien zij de werkelijke kosten overschreden.
Eiseres stelde dat de vorderingen niet verjaard waren omdat zij pas na het arrest van de Hoge Raad in 1991 bekend werd met haar terugvorderingsrecht. De Staat beriep zich op verjaring op grond van de Wet van 31 oktober 1924, die een verjaringstermijn van vijf jaar kent na het jaar van opvorderbaarheid.
De Hoge Raad bevestigt dat de vordering uit onverschuldigde betaling op het moment van betaling opvorderbaar was en dat de verjaringstermijn dus toen begon te lopen. Protestbrieven van eiseres stuitten de verjaring tijdelijk, maar na het laatste protest in 1983 liep de verjaring door en was deze in 1988 voltooid. De Hoge Raad verwerpt het beroep van eiseres dat de verjaring pas zou aanvangen bij bekendheid met het terugvorderingsrecht of na het arrest van 1991. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid faalt omdat de Staat geen afstand van verjaring heeft gedaan en eiseres naliet tijdig de verjaring te stuiten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vorderingen uit onverschuldigde betaling verjaard zijn volgens de Wet van 31 oktober 1924.