2. [Eiser] heeft in de periode 1970 tot 1986 terzake van zogenaamde keurlonen aan de Staat in totaal f 516.512,78 betaald. Zij betaalde deze vergoedingen terzake van keuringen van naar Lid-Staten en derde landen te exporteren zendingen planten en plantendelen. Deze keuringen zijn verricht door de Plantenziektenkundige Dienst, ressorterend onder het Ministerie van Justitie. De vergoedingen voor deze inspecties werden in rekening gebracht op grond van de Beschikking vaststelling Tarief Plantenziektenkundige Dienst van 23 juni 1967, Stcrt. 1967, 123.
Bij arrest van 12 juli 1977 inzake Commissie/Nederland (C 89/76, Jur. 1977, p. 1355, SEW 1977, p. 819 m.nt. R. Barents) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen overwogen dat de keurlonen "niet zijn te beschouwen als heffingen van gelijke werking als douanerechten, mits hun bedrag de werkelijke kosten van de verrichtingen naar aanleiding waarvan zij worden geheven, niet overschrijdt." De Europese Commissie van de Europese Gemeenschappen had voordien bij brief van 15 februari 1971 aan de Staat medegedeeld dat zij van oordeel was dat bedoelde keurlonen waren aan te merken als een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht; volgens de Commissie vormden de vergoedingen geen evenredige tegenprestatie voor een bepaalde en werkelijk verleende dienst, en waren zij daardoor in strijd met onder andere de artikelen 12 en 16 van het EEG-Verdrag. Bij brief van 28 juli 1975 verzocht de Commissie de Staat een einde te maken aan de heffing van bedoelde vergoedingen.
De Staat heeft in het voorjaar 1978 een procedure geëntameerd tegen [naam] Hillegom B.V. waarin hij betaling van keurlonen vorderde over de jaren 1974 tot en met 1977. In dat geding hebben de advocaten voor de Staat die procedure in een tweetal brieven gericht aan de Rechtbank aangeduid als "proefprocedure". Uw Raad heeft de vordering van de Staat (grotendeels) afgewezen bij arrest van 12 april 1991, NJ 1992, 49, m.nt. B.H. ter Kuile, nadat Uw Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie had gesteld bij arrest van 31 maart 1989 (NJ 1992, 47) en het Hof op die vragen had geantwoord bij arrest van 2 mei 1990 (NJ 1992, 48). Uw Raad overwoog dat uit het arrest van het Hof van Justitie voortvloeit dat de keuringsvergoedingen niet - zoals op grond van bovengenoemde Beschikking vaststelling Tarief Plantenziektenkundige Dienst voorgeschreven - geheven mogen worden naar de maatstaf van gewicht of factuurwaarde van de te exporteren planten(delen), omdat zij - aldus berekend - zijn aan te merken als heffingen van gelijke werking als douanerechten.
Daarop heeft [eiser] het onderhavige geding tegen de Staat aangespannen en bij inleidende dagvaarding van 19 december 1991 gevorderd de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van f 516.512,78 wegens onverschuldigde betaling van keuringsvergoedingen over de periode van 1970 tot 1986. (Zij vorderde tevens de keurlonen die in de periode 1986 - 1990 niet meer door de individuele exporteurs zoals [eiser], doch door het Productschap voor Siergewassen aan de Staat werden betaald. Deze vordering speelt in cassatie geen rol meer.)
In de periode vóór 19 december 1991 had [eiser] haar betalingen vergezeld doen gaan van "protestbrieven", welke inhielden dat betalingen geschiedden onder de voorwaarden als vastgesteld in de aan de Plantenziektenkundige Dienst te Wageningen gerichte brief d.d. 3 april 1978, vermeldende:
"Het is ons bekend dat over de vraag of de bedragen voornoemd geheel of ten dele verschuldigd zijn een procedure door de Staat der Nederlanden aanhangig zal worden gemaakt tegen [naam] Hillegom B.V. te Hillegom. Derhalve betalen wij onder protest van ongehoudenheid en onder reserve van alle rechten. Indien in de tegen [naam] Hillegom B.V. voornoemd te voeren procedure mocht blijken, dat de door ons betaalde bedragen geheel of ten dele niet verschuldigd zijn, zullen wij deze terugvorderen, met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling der door ons terzake betaalde bedragen."
[Eiser] heeft bedoelde protestbrieven doen uitgaan in de jaren 1978, 1979 en 1980; haar laatste protestbrief dateert van 4 maart 1983.