ECLI:NL:PHR:2000:AA4044
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verduistering en bedrieglijke bankbreuk door feitelijke leidinggevende
Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld wegens feitelijke leiding geven aan verduistering en bedrieglijke bankbreuk door een rechtspersoon. De Hoge Raad behandelt in cassatie diverse middelen, waaronder de uitleg van het begrip 'toebehoren' in artikel 321 Sr Pro, het bewijs van wederrechtelijke toe-eigening, en de toelaatbaarheid van bewijsstukken.
De Hoge Raad oordeelt dat het strafrechtelijke begrip 'toebehoren' zich kan losmaken van het civielrechtelijke eigendomsbegrip, en bevestigt dat de dollarobligaties aan de beleggersmaatschappij toebehoorden ondanks het ontbreken van fysieke levering. Ook wordt geoordeeld dat het hof terecht aannam dat verdachte wist dat de obligaties niet aan de bank toebehoorden, en dat sprake was van wederrechtelijke toe-eigening.
Verder wordt het oordeel van het hof over de afwijzing van het verzoek om een rapport bij het dossier te voegen en de beperking van de ondervraging van een getuige-deskundige als juist bevestigd. Het hof heeft de belangen van de verdediging niet geschaad en de procedure correct gevolgd.
Ten slotte erkent de Hoge Raad dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden en vermindert het aantal opgelegde taakstrafuren dienovereenkomstig. De bewezenverklaring wordt op enkele punten verbeterd zonder de veroordeling aan te tasten.
Uitkomst: De veroordeling blijft in stand met vermindering van de taakstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.